|
Ernst Ferdinand Portier
De heer Ernst Ferdinand Portier is voor ons land in de
strijd tegenover de oppermachtige Japanse vijand van
zeer grote betekenis geweest en genoot binnen de
Koninklijke Landmacht en het voormalig KNIL, zeer veel
achting en waardering.
De heer Ernst Ferdinand Portier werd als KNIL
militiesoldaat in mei 1942 als krijgsgevangene met 2000
collega’s van Medan-Belawan naar zuid west Birma
verscheept, teneinde met 68.000 mede Prisoners of War
aan het graafwerk van de toekomstige 415 km lange “Birma
– Siam”spoor – dijk te worden ingezet.
Hierna volgt een verslag dat door de heer E.F. Portier
in januari 1946 in Singapore is geschreven:
“Begin oktober 1942 verbleef ik in het
krijgsgevangenkamp Wakale, in Birma, aan de spoorlijn
van het Birmaanse Moulmein naar Bangkok in Siam
(Thailand) De Japanners eisten van alle krijgsgevangenen
dat deze een verklaring tekenden waarin zij beloofden
niet te zullen ontvluchten.
Kapitein Van Hemert en drie militiesoldaten, Hoffmann,
Schuurman en ik, besloten niet te tekenen. De Japanners
dreigden niet alleen ontvluchte en weer gepakte
krijgsgevangenen die hadden getekend te fusilleren, maar
ook de achtergebleven slaapgenoten. Acht Australiërs,
die de Birmaanse bevolking aan de Japanners tegen een
beloning had uitgeleverd, ondergingen dit lot in onze
aanwezigheid. Op 4 oktober 1942 hebben wij met ons
vieren een geslaagde ontvluchtingspoging gedaan. Wij
wilden, onder vermijding van contact met de bevolking,
in zuid-oostelijke richting trekken, een zeilboot
bemachtigen en daarmede de geallieerden bereiken.
Veertien dagen trokken we door zwaar bos in de
regentijd. We leefden van reboeng, bosgroenten en van
wat meegenomen rijst. Drie van ons werden ziek.
Naast pro-Japanse Birmanen, waren er ook pro-Engelse
stammen, zoals de Karens. Wij ontmoetten een
vriendelijke man, het was een Karen. Er moest worden
gefoerageerd en ik ging, omdat ik het minste opviel, met
Karen naar een dorp, waar iemand woonde die Engels
sprak. In het dorp aangekomen zag ik nog juist
Japanners, die een premie op onze hoofden hadden gezet,
wegtrekken. Het dorpshoofd en de gids bleken echter
vrienden te zijn die ons niet verrieden.
Wij werden onthaald, voorzien van proviand en van zes
gidsen. Naar het noorden trekkend, kwamen we in het
centrum van het Karendistrict. De invloedrijke
stamhoofden waren bereid ons te helpen, maar gaven ons
de raad ons te verspreiden. Met Schuurman kwam ik
terecht in een olifantenkamp, diep in de wildernis.
Eerst in juli 1943 – we waren toen al negen maanden uit
handen van de japanners – kwamen we weer bij elkaar in
een dorp dat Bisakah heette. De rust duurde tot
september toen we berichten kregen dat de Japanners ons
op het spoor waren. We hebben ons aangesloten bij een
roversbende, die uit ongeveer 200 man bestond, ten dele
bewapend met Lee-Enfield geweren en over twee
bren-mitrailleurs beschikte.
Tijdens mijn verblijf bij de rovers kwam een aanval van
de Japanners, die eerst in de buurt de gebruikelijke
wreedheden op de bevolking hadden bedreven (kindermoord,
verkrachting, plundering, brandstichting). Bij de
gevechten, waarbij bijna vijftig Japanners en Birmanen
sneuvelde, bediende ik een brengun. Moeilijk was het om
vriend en vijand te onderscheiden. Ik ben daarna
teruggegaan naar Bisakah, waar kapitein Van Hemert,
sterk vermagerd, was achtergelaten.
Het Karen-hoofd in Bisakah raadde ons aan terug te gaan
naar het roverskamp. Dat gebeurde omstreeks midden
oktober met een ossenkar. Hoffmann bleef in Bisakah
achter. Bij de rovers verklaarde kapitein Van Hemert
zich Bereid van de bende een geregelde guerrilla-eenheid
te maken. Wij zijn meer dan een maand bij de rovers
gebleven en hebben aan drie actie deelgenomen. Bij een
aanval op een politiepost bestond de buit uit wapens,
kleding en geld. Bij een overval op Birmaanse
bewakingstroepen veroverden we zeven auto’s beladen met
kleding en vijftien geweren. Een overval op een Japanse
politieboot was goed voor een Brengun en een aantal
geweren.
Medio november keerden wij terug naar Bisakah, waar
korte tijd later foerier Knoester zich bij ons aansloot.
Hij had het krijgsgevangenkamp een maand na ons verlaten
met de kapiteins De Rochemont en Hartering en luitenant
Hermans. Veertien dagen na hun ontsnapping werden de
drie officieren gevangen genomen en gefusilleerd.
Knoester had weten te ontsnappen en zich aangesloten bij
een andere Karen-bende.
Uit radioberichten waren ons de geallieerde operaties
bekend en kapitein Van Hemert wilde het gehele
Karen-district met 6.000 man in staat van paraatheid
brengen om een eventuele geallieerde landing te steunen.
Hiervoor hadden de Karens al een geheime organisatie.
Tot februari 1944 bleven wij bij de Karens en werkten we
op de ladangs (rijstvelden). Met hen overvielen wij een
politiepost. De buit bestond uit geweren en geld. Zes
Japanners werden gedood. Onze inlichtingen kregen wij
bij dergelijke gelegenheden van spionnen die zelf als
politie bij de Japanners dienst deden. Maar de grond in
Metalah werd ons te heet onder de voeten: de Japanners,
dat bleek uit een razzia, waren ons weer op het spoor.
Dus terug naar de roversbende.
Die roversbende deed een grote aanval op het dorp Mubon
in Thailand. De buit bestond uit vijftien geweren;
ongeveer zestig Japanners en Thailanders werden gedood.
Helaas sneuvelde ook de leider van de expeditie Saw Koo.
Het steeds brutaler optreden van de vele roversbenden en
de toenemende onveiligheid noopten de Japanners tot
drastischer optreden op grote schaal. De Kamponghoofden
werden gemarteld en afgemaakt, bezitters van Britse
geweren werd gruwelijk vermoord en met huis en have
verbrand.
Ook het hoofd van het centrum waar wij verbleven werd
met een vreselijke dood bedreigd als hij ons niet
uitleverde. De Karens besloten, om bloedige wraak te
voorkomen, toe te geven. Wij werden op een nacht door
onze vriend Pakepoh, hoofd van Metalah, zelf langs
omwegen naar een “veiliger”plaats gebracht. Dat was
Bisakah, de bevolking zou daar voor ons zorgen. Hij zou
zo vrijuit gaan, omdat hij ons niet persoonlijk aan de
Jappen zou hebben uitgeleverd!
Bisakah en omgeving kende ik van vroeger. Ik bespeurde
onraad en riep Pakepoh ter verantwoording. Deze bezwoer
ons zijn goede bedoelingen, maar vertrouwen deden we hem
niet. Wij betrapten Pakepoh op een leugen. Daaruit
konden wij opmaken dat Hoffmann op zijn ladang was
verraden. Wij waren in een hinderlaag gelopen. De
kapitein besloot in deze hopeloze toestand een poging te
wagen het kordon van japanners en hun helpers te
doorbreken. Pakepoh was reeds aan ons ontsnapt. Met wat
rijst, zout en wat lombok trokken wij het bos in.
Aanhoudende regen, nieuwe malaria-aanvallen en het
slechte voedsel verergerde onze toestand. Vuur maken was
onmogelijk in de kleine hut waarin wij sliepen.
Om beurten hielden wij de wacht, zochten wij reboeng of
sliepen. De hut moesten wij uit toen de bewoner ervan
terugkeerde. In een beschut ravijn maakten wij een hut
van atap (gedroogde palmbladeren), maar wij werden
gezien en vertrokken weer. Foerageren lukte niet meer,
allen waren vermoeid van het wachthouden en de
voortdurende koortsaanvallen. De kapitein bleek echter
op dit moment een ware leider en spoorde tot volhouden
aan.
Eind juli begon de klopjacht op ons; ik zag enige
Japanners, een aantal Birmanen met honden en een groot
aantal dorpelingen, bewapend met allerlei slagwapens en
speren. Kapitein Van Hemert zei mei mijn geweer weg te
gooien, het enige wapen dat we nog hadden. Hoe langer
hoe meer werden ingesloten. Wij deden geen poging meer
om weg te komen en wachtten gelaten ons lot af. De
eerste man die ons bereikte had een geweer en schoot van
een meter afstand op mijn hoofd, maar het schot ketste.
Tot kennelijk grote verbazing van de schutter ketste ook
het tweede schot. Mijn verbazing werd nòg groter, toen
ik mijn eigen, weggegooide geweer herkende. Ik had er
inderdaad bij toeval enige reeds eerder geketste
patronen in laten zitten. Dit ketsen verhinderde
waarschijnlijk dat wij door de inmiddels verschenen
andere achtervolgers zonder meer werden afgemaakt. Nu
werden wij gebonden met gespleten bamboe en afgeranseld
door een woedende Japanse korporaal, die het commando
voerde. Deze nam aan dat wij “Anglo-Indian spies”waren
en weigerde te geloven dat hij te doen had met ontsnapte
Nederlandse krijgsgevangenen. Na een verhoor werden wij
geconfronteerd met enige van onze Karen-vrienden, die
echter geen teken van herkenning gaven, ook niet na
mishandeling door de Japanners. Maung Mela, het hoofd
van Bisakah, lag, eveneens gebonden, dicht bij mij. Hij
gaf toe, na enige uitvluchten, dat Hoffmann dood was.
Hij bezwoer ons alles te ontkennen en niet over onze
vrienden, de bendeleden, te spreken, om onze zaak niet
te verergeren.
Bijna twee jaren waren wij op vrije voeten geweest. De
kapitein stelde voor zelfmoord te plegen met een
scheermesje, dat hij nog in de zoom van zijn broek
verborgen hield, opdat wij niet na volgehouden
martelingen toch zouden doorslaan. Wij werden echter zo
goed vastgebonden, dat wij ons plan niet konden
uitvoeren. Twee dagen later moesten wij vijftien
kilometer lopen naar Sikh: de bevolking van de kampongs
onderweg bekeek ons medelijdend, doch onthield zich van
elke uiting.We werden overgeleverd aan de kempetei, die
onze beste vriend,Maung Mela, na een week van
verschrikkelijk folteren zonder iemand te hebben
verraden, terechtstelde.
Per prauw werden wij naar Moulmein overgebracht. Een
zware maand van slechte behandeling door de kempetei
volgde. Daarna op transport naar Bangkok gesteld. In het
Canburrykamp, met als kampoudste overste Deticher, zagen
wij voor het eerst weer landgenoten.
De Japanse krijgsraad veroordeelde kapitein Van Hemert
tot levenslang en Schuurman en mij tot vijftien jaar
dwangarbeid. Overgebracht naar de beruchte
Outram-gevangenis in Singapore, bleef ik daar als
gevangene nummer 522 in cel nummer 72 van begin oktober
1944 tot de lang verwachte bevrijding op zondag 19
augustus 1945.”
Op 19 Augustus 1945 werden Soldaat Schuurman en Portier
bevrijd zoals de Atoombom de hele Pacific van de Jappen
bevrijdde.
Wim F.J. Elgers
secretaris/penningmeester Vereniging DMD
<< Terug
|