Mevrouw Coosje Ayal is voor ons land in de strijd tegenover de vijand, van zeer grote betekenis geweest en genoot binnen de Vereniging en bij de Koninklijke Landmacht, zeer veel respect en waardering.

In 1942, toen de Japanse landingsvloot aankwam in de baai van Manokwari in Nieuw-Guinea, begon haar guerrillastrijd, onder leiding van kapitein
J.B.H. Willemsz-Geeroms. Deze strijd in de jungle van Nieuw-Guinea heeft uiteindelijk bijna 3 jaar geduurd.

Coosje Ayal raakte als 15 jarig nichtje van haar oom Nahuwae die bestuursambtenaar was, betrokken in deze guerrillastrijd.
Ze waren met 62 manschappen maar uiteindelijk hebben maar 17 personen deze strijd overleefd.
Zij was een van hen en de enige vrouw die deze guerrillastrijd heeft overleefd.

Nu, 70 jaar later is er veel aandacht voor de belevenissen van een deze groep militairen in de binnenlanden van Nieuw-Guinea tijdens
de guerrillastrijd in de Tweede Wereldoorlog.

Nadat de Japanners voet aan wal hadden gezet werden zij gedwongen een overlevingstocht af te leggen, dwars door de jungle en de bergen
naar de noordkust van Nieuw-Guinea, genaamd de Vogelkop.

Ze werden tijdens hun guerrillastrijd opgejaagd door de Japanners en elke keer moesten ze weer vluchten. Bewapend met pistool en
karabijn werden Japanse bivakken overvallen om aan extra voedsel, wapens en munitie te komen.

Vele ontberingen, ziekten en een bijna ondraaglijke honger hebben zij moeten ondergaan. Om aan zout te komen likten zij hun eigen
zweetkorsten af. Als het regende vingen zij het water op met hun handen om het vervolgens te drinken.
De honger dwong hen om slangen, hagedissen, slakken en larven te eten.
Schoeisel hadden ze al niet meer en hun uniformen waren in de loop der jaren in de jungle verbleekt en verrot.
En dan de angst om ontdekt te worden door de Japanners die ook nog geholpen werden door de foute en onderdrukte Papoea’s.

Niet alleen was dit lichamelijk een zware opgave, ook geestelijk hebben velen van hen het gedurende de guerrillastrijd niet gered.
Enkelen van hen zijn letterlijk krankzinnig geworden.

Op een gegeven moment had Coosje Ayal alle tropische ziekten die ze maar kon oplopen, zoals dysenterie, malaria en beriberi.
Kortom, “zij was stervende”. De groep kon haar op dat moment ook niet levend achterlaten.
Haar oom Nahuwae die ook in de verzetsgroep zat, kreeg de opdracht om haar van het leven te beroven.
Dit uit angst dat de Japanners haar nog levend zouden aantreffen en haar zouden folteren om informatie over de groep te kunnen krijgen.

Haar sterke geloof in God en het gebed op dat moment heeft haar toen gered. Haar oom en zij hebben een paar minuten stilte genomen en
heel intens tot God gebeden. Langzaam kwam de kracht terug in haar lichaam en na enkele minuten liep ze weer op eigen benen.

Soms bivakkeerden de Japanners en de verzetsgroep aan weerskanten van een kali. Ze schoten niet meer op de Japanners omdat ze
geen munitie konden missen. Ze gingen naar de plantages van de Papoea's om eten en jonge bananen te halen.

Wat heeft haar die 2½ jaar strijd in de jungle op het been gehouden? Allereerst natuurlijk de drang naar vrijheid en om niet in handen
te komen van de Japanners, maar natuurlijk het bewaren van de Nederlandse vlag. Toen kwam de dag dat er een vliegtuig kwam met
Amerikaanse parachutisten die vanuit Hollandia een reddingsoperatie op touw hadden gezet. Zo kwamen zij weer in de bewoonde wereld terug.
De Nederlandse vlag hadden zij gedurende hun hele guerrillastrijd bij zich gehouden, opgerold in een bamboestok.

Ze werden allen naar Hollandia gebracht. Daar heeft Coosje Ayal nog 2 maanden in het ziekenhuis gelegen met ernstig oedeem en beriberi.
Daarna ging zij naar Brisbane in Australië.

In Brisbane heeft zij de opleiding tot infanterist en verpleegster gevolgd en werd zij bevorderd tot korporaal bij het Vrouwenkorps KNIL.

Na de oorlog hebben zij de Nederlandse vlag, met hun namen daarop geschreven, aan Koningin Wilhelmina aangeboden.

Uit Haar naam en bij Koninklijk Besluit kreeg zij in Australië de Militaire Dapperheidsonderscheiding het Kruis van Verdienste en een
handgeschreven bedankbrief met de volgende tekst:

Februari 1945

Uwe gedachte, om mij de vlag toe te zenden, die Gij gedurende Uwen langen en onverschrokken guerrillastrijd hebt hooggehouden,
heeft mij diep getroffen.

Ik betuig U daarvoor mijn groote erkentelijkheid. Gij kunt ervan verzekerd zijn, dat Uw geschenk mijn gedachten dikwijls zal terugvoeren naar U en ook naar degenen die hun naam niet meer op de vlag hebben kunnen plaatsen.

(w.g. Wilhelmina.)

In 1982 kreeg zij, samen met de andere 7 mensen die toen nog in leven waren, het Verzetsherdenkingskruis uitgereikt door Prins Bernhard.
Dat was een complete verrassing voor hen allemaal.

Zij is ondanks alles een gelukkig en tevreden mens. Zij bidt vaak tot God dat haar kinderen en kleinkinderen nooit zullen meemaken wat zij
en haar kameraden hebben meegemaakt. Zij hoopt dat ze leren dat oorlogen niets kunnen oplossen.
Naastenliefde, begrip en respect voor elkaar, brengen pas echte vrede zegt ze! Laten wij dat nooit vergeten!


 Terug >>