|
GESCHIEDENIS VAN DE KON. NED. BRIGADE "PRINSES
IRENE"
Het was op 11 Januari 1941, dat te Congleton in
Cheshire (Engeland) de Koninklijke Nederlandse
Brigade werd opgericht. Nederlanders uit alle delen
van de wereld, ook zij, die in Mei 1940 of tijdens
de bezetting naar Engeland waren overgestoken,
vormden dit legeronderdeel.
Op 27 Augustus 1941 brachten H.M. Koningin Wilhelmina
en Z.K.H. Prins Bernhard een bezoek aan de
Brigade, die toen te Wolverhampton gelegerd was.
Hare Majesteit reikte bij die gelegenheid de Brigade
een vaandel uit en sprak de manschappen toe. Zij
zei o.a.: "Op dit vaandel is aangebracht de naam
van Mijn Kleindochter, Prinses Irene, het Petekind
van de Weermacht, wier naam Ik met volle instemming
van Haar Ouders aan de Brigade geef. Vertrouwend op
God, onzen onbuigzame wil en de overwinning onzer
bondgenootschappelijke wapenen, zal het u gegeven
zijn eenmaal als zegevierende bevrijders van
Nederland met dit Vaandel den Nederlandsen bodem te
betreden."
Hare Majesteit sprak hier profetische woorden. Maar
het zou nog drie jaren duren, voor Haar wens in
vervulling ging.
Begin Aug. 1944 werd de Brigade ingescheept met
bestemming: Frankrijk, onder commando van Kolonel A.
C. de Ruyter van Steveninck.
Niet lang vóór de overtocht werd de Brigade nog
versterkt met 102 officieren, onderofficieren en
mariniers van het Korps Mariniers, die zich na een
korte tijd van acclimatisering wonderwel thuis
voelden in de 2e Gevechtsgroep.
Op 8 Augustus 1944 landde de Brigade in Normandie
nabij Courseulles sur Mer en vier dagen later
onderging zij in de stellingen aan het riviertje de
Orne de vuurdoop.
Toen in het kader van de Duitse terugtocht ook de
stellingen in deze "hellehoek", rond het kasteel St.
Come, door de Duitsers werden prijsgegeven, volgde
de Brigade hen op de hielen, passeerde Troarn, Pont
l' Eveque, nam met een verrassende slag Pont Audemer
en rukte op tot de oevers van de Seine, west van
Rouaan.
Z.K.H. Prins Bernhard bezocht hier de Brigade en
betuigde namens H.M. Koningin Wilhelmina Haar grote
tevredenheid.
Op 3 September kreeg de Brigade bevel, zich snel
naar Brussel te begeven, waar zij ruim 2 dagen later
arriveerde. De bevrijde Belgische hoofdstad
verkeerde in feestroes, de troepen werden schier
bedolven onder bloemen en confetti. Maar de Brigade
kreeg onmiddellijk een nieuwe taak: op te rukken in
de richting van Beeringen aan het Albertkanaal.
Reeds tussen Leuven en Diest werd de feestelijke
sternming na de triomfale uittocht uit Brussel wreed
verstoord. Plotseling ontving men vuur uit een
Duitse hinderlaag, waardoor verscheidene
slachtoffers vielen. Nadat met de verdekt opgestelde
Duitse tanks was afgerekend, kon de opmars worden
voortgezet. Rond de brug bij Beeringen leverde de
Brigade opnieuw verbitterde gevechten. Na de snelle
actie van de geallieerde luchtlandingstroepen in
Nederland op l7 September en volgende dagen kreeg de
Brigade wederom het bevel tot de opmars. In de nacht
van 20 op 2l September 1944 passeerde zij de
Nederlandse grens ten Zuiden van Valkenswaard, en
reeds in de middaguren bereikte men Grave. Hier
kreeg de Brigade tot taak het bewaken van de stad en
de bruggen, en de patrouillegang in het land van
Maas en Waal.
Midden Oktober brak de Brigade weer op. Zij
marcheerde naar Oirschot aan het Wilhelminakanaal,
en bezette met geallieerde hulp Tilburg.
Zij hielp mee aan het verdrijven van de laatste
Duitse troepen, die zich nog Z. van de Maas
bevonden. Dan zagen de mannen van de Brigade zich
naar Zeeland gedirigeerd. Walcheren, Noord- en
Zuid-Beveland werd gedurende vijf maanden hun
domein, ter beveiliging van de scheepvaart op
Antwerpen. Toen op 25 November een sterke Duitse
afdeling op Noord-Beveland landde, maakte de Brigade
daarmee korte metten.
April 1945 trok de Brigade weer naar Brabant, stak
de Maas over en vestigde een bruggenhoofd ten N. van
de rivier bij Hedel, ter ondersteuning van de
geallieerde troepen,die naar Zaltbommel zouden
doorstoten. Toen deze aanval echter niet doorging en
de troepen elders werden gebruikt, werd de Brigade
uit haar stellingen teruggeroepen.
De Duitse capitulatie maakte een einde aan de
strijd. Als eerste geallieerde onderdeel rukte de
Brigade op Dinsdag 8 Mei tegen de avond
's-Gravenhage binnen, op uitbundige wijze begroet
door de bevolking.
Een journalist schreef over deze intocht: "Het
gelukte ons een plaatsje te bemachtigen op een
carrier, en onder een regen van serpentines en
confetti maakten wij de triomftocht mee van onze
eigen jongens door de Haagse straten. Ze kwamen
handen tekort, de Brigademannen, om toegestoken
handen te drukken en sigaretten uit te delen. Een
soldaat vertelde ons: "In Frankrijk, België en
Brabant werden wij begroet met wijn en vruchten. De
mensen hier hebben niets, niets dan hun
dankbaarheid, maar nergens toonde een bevrijde
bevolking zich dan ook dankbaarder dan hier."
De afscheidsparade vond plaats op 13 Juli 1945 op de
binnenplaats van de Prinses Julianakazerne te
's-Gravenhage. Z.K.H. Prins Bernhard sprak hier de
mannen toe, hechtte de versierselen van de Militaire
Willemsorde 4e klasse aan het vaandel en reikte
onderscheidingen uit aan officieren, onderofficieren
en manschappen van de Brigade. Zijne Koninklijke
Hoogheid verklaarde daarbij: " Gelukkig zullen de
tradities welke gij in de maanden van strijd op het
Continent hebt verworven, niet verloren gaan. Uit de
Brigade zal onder meer gevormd worden de kern voor
het Regiment Prinses lrene, een Regiment, dat om uw
vaandel zal worden gevormd en op uw traditie zal
voortbouwen."
De Kon. Ned. Brigade "Prinses lrene" hield op te
bestaan.
GESCHIEDENIS VAN HET REGIMENT (LATER GARDEREGIMENT)
"PRINSES IRENE"
Toen in het voorjaar van 1946, in het kader van de
opbouw van het naoorlogse Nederlandse leger,
vijftien Regimenten Infanterie werden opgericht,
bevond zich daaronder ook een Infanterieregiment
"Prinses Irene", dat Arnhem als standplaats kreeg.
De bij dit Regiment opkomende dienstplichtigen van
de lichting 1945 vormden het 3e Bataljon "Prinses
Irene", dat als onderdeel van de 1e Divisie
,,7-December" in het najaar van 1946 naar Indonesië
werd verscheept. Er is ook nog een eerste Bataljon
Prinses Irene geweest. Dit werd in Augustus 1945
gevormd uit
oorlogsvrijwilligers, het merendeel uit Brabant en
Zeeland, die zich onmiddellijk na de bevrijding van
het Zuiden des Lands voor de militaire dienst
hadden gemeld en aanvankelijk ingedeeld waren bij
Aanvullingstroepen der Koninklijke Nederlandse
Brigade "Prinses Irene" te Tilburg.
1-"Prinses Irene" werd gelegerd in de Nieuwe
Alexanderkazerne te 's-Gravenhage. Tot Commandant
werd aangewezen Majoor P. C. van Scherpenberg, die
als Officier der Brigade de campagne van Normandië
af had meegemaakt. Tot aan de opheffing van het
bataljon voerde Majoor van Scherpenberg het bevel.
Officieren en kader van het bataljon werden
gerecruteerd uit de officieren en onderofficieren
der Brigade "Prinses Irene".
1-"Prinses Irene" werd geëncadreerd en getraind als
Licht Infanterie Bataljon en was als zodanig
ingedeeld bij Divisie A. Het had voorts o.m. tot
taak de Paleiswachten in de residentie te leveren.
Op 24 November 1945 werd het bataljon naar
Schoonhoven verplaatst. Hier werd de training
voortgezet. Het bataljon ontving aanvulling van dat
personeel en kader uit naar Indonesië vertrekkende
bataljons, dat niet voor uitzending naar de tropen
in aanmerking kwam.
Op 9 Mei 1946 werd 1-Prinses Irene opgeheven.
In de navolgende jaren werden uit dienstplichtigen
van de hierna komende lichtingen steeds nieuwe
Bataljons gevormd, die naar Indonesië werden
uitgezonden: het 4e Bataljon als onderdeel van de 2e
Divisie, het 5e Bataljon als deel van de 3e Divisie,
het 6e Bataljon als deel van de F-Brigade, het 7e
Bataljon, deel uitmakende van de H-Brigade.
De vier eerstgenoemde Bataljons zijn in Nederland
teruggekeerd en gedemobiliseerd, het 7e Bataljon
(434e Bataljon Infanterie) vertoeft nog in
Indonesië. Het bracht een groot deel van zijn
diensttijd op Nieuw-Guinea door .
Op 1 Juni 1948 viel het Regiment een grote eer te
beurt. Het werd bij Koninklijk besluit verheven tot
Garderegiment. H.K.H. Prinses Juliana, Regentes
van het Koninkrijk, in deze optredende namens H M.
Koningin Wilhelmina, achtte het wenselijk, het
Regiment een naam te geven, welke duidt op de
bijzondere betrekking, waarin dit Regiment staat tot
het Koninklijk Huis.
Het is duidelijk, dat deze zeldzame onderscheiding
het Regiment ten deel viel op grond van de
voortreffelijke wijze, waarop de Kon. Ned. Brigade
;,Prinses Irene", waarvan het Regiment de traditie
voortzette. indertijd haar taak heeft verricht. Des
te meer rust thans op elk militair van het
Garderegiment de plicht zich de eer, een
gardesoldaat te zijn, waardig te betonen. Niet door
het dragen van een mooi ceremonieel tenue bij
bijzondere militaire plechtigheden, maardoor
uitzonderlijk plichtsbesef, door een buitengewoon
goede dienstvervulling toont men, deel uit te maken
van een Garde regiment !
ZIJ TROKKEN NAAR INDONESIË
Thans willen wij, zeer in het kort, iets vertellen
uit de geschiedenis van de naar Indonesië gezonden
Bataljons.
Het derde Bataljon, onder commando van de Luit.
Kolonel Mr. S. L. F de Hartogh, vertrok op 16
October 1946 met de Volendam naar Indonesië en werd
op 13 November d.a.v. te Priok ontscheept. Het
Bataljon werd dadelijk naar het gebied van de
Poentjak-pas vervoerd, ter bescherming van een
gedeelte van de konvooiweg Batavia-Bandoeng en een
strook van 5 km ter weerszijden daarvan. Door het
actief optreden van het Bataljon kwam de bevolking
in de kampongs terug en werd het braak liggende land
weer bebouwd.
Op 21 Juli 1947 begon de eerste politionele actie,
waarbij aan het Bataljon de eervolle taak was
opgedragen als voorste Bataljon langs de spoorlijn
van Buitenzorg naar Soekaboemi op te rukken.
Ondanks door de vijand aangebrachte versperringen,
en vijandelijke tegenstand, werden alle gestelde
doelen binnen de daarvoor bepaalde tijd bereikt. Na
gedurende een week het gebied rond Soekaboemi te
hebben beveiligd, nam het Bataljon het gehele gebied
Tjandjoer van de derde Infanterie Brigade Groep
over. In de stad Tjandjoer en het uitgebreide, door
het Bataljon bezette gebied, zo groot als een
Nederlandse provincie, werd een opstand verhinderd
en werden de benden met succes bestreden en
verjaagd. Ter bescherming van Bandoeng werden in
opdracht van de Divisiecommandant twee belangrijke
acties gevoerd, ver buiten het vak van het Bataljon,
n.l. één op 12 Oktober 1947, uitgaande van Tjililin,
waarbij een bergplateau van vijanden werd gezuiverd
en één op 12 November 1947, uitgaande van Tjiwidej,
waarbij een door het vijandelijke, goed aangevoerde
studentenbataljon verdedigde bergpas werd doorbroken
en een belangrijk ondernemingsgebied werd bevrijd en
gezuiverd. Tevoren waren andere Bataljons, die
hetzelfde gepoogd hadden, teruggeslagen. Het
Bataljon kreeg een tevredenheidsbetuiging van de
Divisie Commandant.
Eind November 1947 werd het Bataljon verplaatst naar
het gebied van Buitenzorg en het Bantamfront. Ook in
dit gebied moesten herhaaldelijk gevechten tegen
vijandelijke troepen en benden worden geleverd.
Op 1 November 1948 ruilde het Bataljon van gebied
met 4-8 R.I. in de Bekasi-Krawang streek, oost van
Batavia. Ook hier, bepaaldelijk zuid van de weg
Bekasi-Krawang, werden verscheidene gevechten
geleverd door patrouilles en buitenposten. Het
gebied werd zo goed gezuiverd, dat bij de
wapenstilstand na de tweede politionele actie, zich
in het gebied van dit Bataljon geen vijandelijke
concentraties bleken op te houden.
Op 24 November 1949 werd het Bataljon ingescheept op
de "Zuiderkruis". De ontscheping te Rotterdam
geschiedde op 17 December 1949.
Het vierde Bataljon, onder Commando van Luit.Kolonel
J. J. Harkerna, vertrok op 4 Juni 1947 naar
Indonesië en werd op 4 Juli te Semarang ontscheept.
Reeds na een week liep men patrouilles mee en toen
op 21 Juli 1947 de 1ste politionele actie begon,
werd het Bataljon spoedig ingeschakeld.
Op 26 Juli werd Mranggen bezet, in de daarop
volgende dagen o.a. Goeboeg en Demak, tezamen met I
R.S. Na enige tijd werd het Bataljon, tezamen met
4-Grenadiers en 4-Jagers weer in één Brigade
verenigd, en werd aan 4-Prinses Irene een nieuw
gebied in de Perning sector, noord van Modjokerto
aangewezen. In November nam de 2de compagnie en een
gedeelte van de Ost.Compagnie deel aan de verdere
bezetting van Madoera. De aan het Bataljon
toevertrouwde sector werd aanzienlijk vergroot door
de vaststelling van de "Status quo" lijn in Februari
1948.
In April 1948 werd de sector Perning verwisseld voor
die van Modjokerto. De eerste maanden heerste er
volkomen rust in dit gebied en hield de T.N.I. zich
vrijwel aan de gemaakte afspraken. Later
verslechterde de toestand door intimidatie en
terreur, waarvan de bevolking het slachtoffer werd.
Intussen vertrok begin November '48 de
Bataljonscommandant, de Luit. Kolonel J. J. Harkema,
naar Nederland; het commando werd overgedragen aan
de Majoor, later Luit. Kolonel J. H. Broersma,
voordien plv. commandant van het Bataljon.
De tweede politionele actie kwam! Op 19 December
1948 te middernacht werd de S.Q.-lijn overschreden
en via het Zuiderkalksteengebergte koers gezet naar
de Kedirise: De eerste Compagnie bezette a.'s
stootgroep, met 3-2 Reg. Huzaren van Boreel, Blitar,
waar de rest van het Bataljon 22 December aankwam:
In de volgende weken en maanden werd Wlingi
overgenomen van 2-15 RI, Toeloengagoeng van 2-10 RI,
Trenggalek en Lodojo en tal van andere plaatsen
bezet.
Grote inspanning kostte het openhouden van de
verkeerswegen. De weg Blitar-Wlingi kreeg de naam
van "dodenweg" en ook de route Blitar-Kediri wemelde
van mijn- en bomtrechters, teweeggebracht door
trekbommen, drukmijnen en alle mogelijke combinaties
er van. Op deze wegen kwam het merendeel van de
gesneuvelde kameraden om.
Begin Augustus 1949 verhuisde het Bataljon naar het
Zuid-Malangse.
Na het cease fire werd het in Malang geconcentreerd.
Op 3 Maart 1950 volgde de inscheping aan boord van
de Georgic, die 27 Maart in Rotterdam aankwam.
Het vijfde Bataljon, onder commando van de Luit.
Kolonel S. Jacobson, vertrok 26 November 1947 met de
Kota Inten naar Indonesië, op 23 December werd te
Padang ontscheept, met uitzonderipg van de 2e
Compagnie. Deze ging door naar Makassar, werd
ingedeeld bij 5 R.S.en bleef daarbij tot het
tijdstip van terugkeer naar Nederland. De rest van
het Bataljon kreeg, na een korte leertijd bij de 0.
v. W .ers van 1-8 R.I. en l-jagers, in April '47 een
eigen vak, waaraan de namen zijn verbonden van
plaatsen als Loeboek Boeaja, Ladang Padi, Goenoeng
Sarik, Batoe Basoek, Si Goentoer en andere.
Tijdens de 2e pol. actie bezette het Bataljon Solok.
Ondanks tegenslag door wegversperringen werden de
gestelde aanvalsdoelen op tijd bereikt,
waardoor andere onderdelen op tijd Fort de Kock
konden bezetten. Na de actie kreeg het Bataljon een
gebied te beveiligen dat groter was dan de provincie
Gelderland.
Na de order "staakt het vuren" moest op 16 December
'49 Solok, waar de Bataljonsstaf gevestigd was,
ontruimd worden. Dat was een sombere dag. In Padang
werd het Bataljon geconcentreerd, maar pas in April
'50 vertrok men met de Tabinta naar.java. In het
kamp Tjililitan II voegde zich ook de 2e
Compagnie weer bij het Bataljon. Deze Compagnie was
aanvankelijk enkele maanden op Celebes gelegerd,
maar werd in Mei '48 ingedeeld bij de T.Brigade.
Tijdens de 2e pol. actie werd zij ondergebracht bij
5 R.S., en door de lucht vervoerd naar Djokja. Zij
behoorde tot de eerste onderdelen, die deze stad
bezetten. Een half jaar later, in juni '45, moest
Djokja worden ontruimd en na legering in Kalioerang,
Brebes en Koetoardjo werd de Compagnie
geconcentreerd in Semarang, vanwaar zij naar
west-java werd overgebracht.
Met de "General Black" vertrok het Bataljon op 25
April '50 naar Rotterdam, waar het op 18 Mei' 50
(Hemelvaartsdag) werd ontscheept. Tilburg is
indertijd door de Kon. Ned. Brigade "Prinses Irene"
bevrijd. Om uitdrukking te geven aan haar gevoelens
van dankbaarheid heeft deze Gemeente het vijfde
Bataljon geadopteerd. Deze adoptie is geen leeg
gebaar gebleven; een stroom van sportartikelen,
spelen, lectuur, radiotoestellen, muziekinstrumenten
vond zijn weg naar Indonesië. Tussen 5-Prinses
Irene en Tilburg zijn onverbreekbaar banden gesmeed.
Wat heel duidelijk bleek dat op 17 Juni 1950, toen
het Bataljon na zijn terugkeer uit Indonesië,
officieel in Tilburg werd ontvangen.
Het zesde Bataljon, onder commando van Luit. Kolonel J. A. G. de Leeuw, vertrok op 17 September '48 met
de Waterman naar Indonesië en werd op 10 Oktober te
Priok ontscheept. Eerst werd het Bataljon te Krawang
gelegerd, daarna gedetacheerd bij enkele op
West-Java liggende onderdelen van de 1e Divisie ,,7
December". In November '48 kreeg het Bataljon een
eigen vak in het Krawangse; de
Bataljonscommandopost kwam in Tjikampek, later in
Poerwakarta. Aan de 2e pol. actie werd niet
deelgenomen, wel aan enkele kleinere
zuiveringsacties.
April 1950 werd het Bataljon in het kader van de
repatriëring geconcentreerd in posten op de Poentjak
en te Buitenzorg.
Met de "General Mac Rae" keerde het Bataljon naar
Nederland terug, op 23 Juni 1950 werd, in stromende
regen, te Rotterdam ontscheept.
Het zevende Bataljon, ondercommando van Luit. Kolonel
L. Vriesman, vertrok 28 September 1949 met de
Volendam naar Indonesië. Het werd op 27 Oktober te
Padang ontscheept. Na korte tijd op Sumatra gelegerd
te zijn geweest, werd het overgeplaatst naar
Nieuw-Guinea. Het Bataljon had hier een zeer
interessante tijd, welke in het bijzonder werd
gekenmerkt door een intensieve patrouillegang. Op 3
Augustus 1950 werd Nieuw-Guinea vaarwel gezegd. Met
de Waterman voer het Bataljon naar Soerabaja, waar
op de 9e van die maand werd gedebarkeerd.
Thans (1950) vertoeft het Bataljon nog steeds op
Java.
Het Bataljon werd geadopteerd door de gemeente
Almelo. Plannen tot een feestelijk ontvangst van het
Bataljon na terugkeer in Nederland zijn bij het
adoptiecomité uit deze gemeente reeds in
voorbereiding.
Deze tekst is ontleend aan het boekje: KON. NED.
BRIGADE GARDEREGIMENT.
Uitgegeven onder auspiciën van de
Legervoorlichtingsdienst te 's Gravenhage - 1950
Samenstelling en geschreven door de res.Kapitein
J.G. Raatgever.
Wilt u
meer weten over de Brigade? U vindt het hier:
www.fuseliers.net
|