|
HERINNERINGEN AAN MIJN
MILITAIRE DIENSTTIJD IN INDIË
door Bé Feldbrugge
Heenreis / Makassar (1947)
Medio 1947 zag het er naar uit dat mijn lichting opgeroepen zou
worden vanwege de z.g. dienstplicht. Er is toen van alles geprobeerd, middels verzoekschriften en
bezoeken van mijn ouders aan Den Haag, om af- of uitstel te krijgen, vanwege mijn muziekstudie aan
het Conservatorium. Ik had in die tijd een kamer in Amsterdam bij de familie Vranken in de
Palestrinastraat vlakbij het Concertgebouw. In de zomervakantie deed ik nog mee aan een tournee van
het Nederlands jeugdorkest o.l.v. Hein Jordans naar het wonderschone Praag. De aanblik van het
verwoeste Duitsland, tijdens de dagenlange treinreis, zal me altijd bijblijven.
Na thuiskomst, kwam al gauw de gevreesde oproep voor de keuring, die
uitsluitend eentjes liet zien. 100 % o.k. ! Ik had niet het lef mij door allerlei trucs te laten
afkeuren.
Ik moest me melden in de kazerne in Assen, alwaar ik mijn uitrusting
kreeg alsmede het legerno: 271104148. Het gerucht ging
dat we, na de opleiding, voor 9 maanden naar Indië zouden worden uitgestuurd. Eerlijk gezegd vond
ik dat toch wel avontuurlijk. Van dat verre land wist ik toen heel weinig. De 9 maanden werden er
29! Er volgde een soort spoedopleiding om mijn afdeling gevechtsklaar te maken: marcheren,
exercitie, stormbaan en de gevreesde 'tijgersluip-gang'. Het onder gebrul steken met de bajonet op
het geweer, in een vijandelijke pop, heb ik geweigerd.
Van de Maleise les stak ik heel weinig op en daar kreeg ik later, als
ik wilde tawarren (afdingen) op de pasar of met het personeel overhoop lag, behoorlijke spijt van.
Na 10 dagen inschepingsverlof kregen we een zware injectie (z.g. 'cock-tail') tegen enge tropische
ziektes. Dat gebeurde juist op mijn 20e verjaardag. Per trein ging het vervolgens onder strenge
bewaking naar de haven van Rotterdam.Op alle overwegen stond politie! Behalve het geweer mocht
alleen de plunjezak mee aan boord.
Mijn Groningse lotgenoot Jaap Veldkamp hielp me de viool en alle bladmuziek er nog bij in te
proppen. Mijn kostbare 'Möller'-viool had ik aan een medestudent in bruikleen gegeven, terwijl de 'Klotz'
van pappie mee naar Indië ging.
Onze schuit, de Volendam, bood plaats aan 1600 man en dat hebben we
geweten! Officieren hadden hutten met stapelbedden, maar de soldaten werden in hangmatten in het
ruim opgehangen.
's Avonds voeren we het zeegat uit en prompt was er 'sloepenrol' en
'inspectie'. Later, in de golf van Biscaye, woedde er een hevige storm en werd bijna iedereen ziek,
of van de deining, of van de uitwerking van de "cocktail". Het dek en de ruimen werden
spekglad omdat niet iedereen de railing bijtijds haalde. Tot de eindbestemming mocht er niemand van
boord en dus zagen we Algiers en Malta alleen uit de verte. Na het kolossale standbeeld van
Ferdinand de Lesseps kwamen we aan in Port-Saïd, met de muntjesduikers en goochelaars. Na
uitreiking van onze tropenuitrusting voeren we het Suezkanaal in. De temperatuur nam plotseling
tropische waarden aan.
Enige dagen daarvoor had ik in de officierslounge een pianist ontdekt
die wat zat te preluderen. Desgevraagd wilde hij wel met mij samenspelen om zo mogelijk een
uitvoering te geven voor de manschappen. Omdat ik natuurlijk niet in het ruim kon studeren regelde
deze scheepsarts een heuse hut bij de scheepscommandant (C.O.T.). 's Avonds, halverwege het kanaal,
maakte onze schuit een vreemde slinger, waardoor ik met de vioolstok in de fan terecht kwam,
gelukkig zonder grote schade te veroorzaken.
Boven gekomen merkte ik dat we behoorlijk slagzij maakten. Dat kwam
voornamelijk door de eenzijdige belangstelling van de opvarenden omdat de boot tegen een
halfgeopende spoorbrug was geknald. Na enige tijd verscheen er een Arabier die, als een soort
Aladdin, met een olielamp, de schade kwam opnemen. Deze sprookjesfiguur kreeg opmerkingen naar zijn
hoofd in de trant van 'Hé Ali Baba' en 'Salem Aleichem'! In de haven van het plaatsje Suez werd
geconstateerd dat we een flinke deuk aan stuurboord hadden opgelopen. We konden de reis toch
voortzetten, zij het op halve kracht. Omdat mijn studeerhut twee heerlijke bedden bevatte, bleef ik
daar ook meteen overnachten.
Mijn buurman in het ruim zag de lege hangmat en stelde voor de hut
met mij te delen. Juist toen we die avond in ons ondergoed stonden, werd er hard op de deur gebonsd
door de dienstdoende hofmeester. Hij betrapte ons en dreigde ons op rapport slingeren!
De volgende morgen moest ik me melden bij de C.O.T.. Onder dwang heb ik toen maar de naam
genoemd van mijn 'slapie', soldaat Bongers. De hut kon ik verder wel vergeten en als straf: (etens)gamellen
wassen! We werden ook van een te innige vriendschap verdacht en daar was het leger niet van gediend.
Veel van dit soort jongens werden vervroegd teruggestuurd.
Na de Bittermeren en de berg Sinaï koersten we via de
12-Apostel-eilandjes naar Aden waar we buitengaats een hele dag bleven liggen. Nu kwam de lange
oversteek naar Sumatra. We doden de tijd met dek zwabberen, wapenles, spelletjes en het bijwonen van
kerkdiensten. We kregen last van onlesbare dorst. Lange
rijen voor de limonade was het gevolg.
Veldkamp en ik waren in die tijd erg onder de indruk van gedichten
van Marsman en Slauerhoff en hadden daardoor een fijn contact. Het eilandje Sabang werd aangedaan en
dat betekende het eerste contact met de tropen. Eindelijk mochten we van de boot en kwamen terecht
in een soort oosterse markt waar we de eerste bananen kochten en ons overaten aan sateh ajam. Tegen
de avond moesten we weer aan boord waar post van het thuisfront werd uitgedeeld.
Bij het passeren van de evenaar was er een waterballet met
krankzinnige scheerrituelen ter ere van de aanwezige Neptunus. Ook ik ontving een diploma van deze
watergod.
Drie dagen later bereikten we Tandjonk Priok waar we na 4 uur niet
binnen mochten lopen. Dat bleek het juiste moment voor het concert in de officierslounge. Op mijn
aandringen werden er ook banken aangesleept voor de gewone soldaten die hard klapten of floten. De
C.O.T. was danig onder de indruk en zei in zijn dankwoord, op zijn vele reizen nog nooit zoiets te
hebben meegemaakt. Dr. Gerrits, de pianist en ik kregen elk een fles wijn o.i.d. De volgende ochtend
nam ik afscheid van de doc die naar Bandoeng moest om als chirurg te gaan werken aan 's Lands
Hospitaal. Hij zei toen: 'elke dag dat je viool studeert is winst'. Hij adviseerde me ook om in
Makassar contact te zoeken met mevrouw Berlijn die goed piano zou spelen en met een KNIL officier
was getrouwd, die toevallig mijn baas werd.
Mijn vioolvriend en studiegenoot Lim kek Tjiang had mij, voor
vertrek, gevraagd een pakje voor zijn familie in Batavia mee te nemen en dus spoedde ik mij per
betjah naar de Madoeweg no. 12, waar ik hartelijk werd ontvangen. Het eerste wat ik daar zag was een
grote foto van mijn ouders, Tjiang en mij, enige maanden eerder op de Dam genomen. Het huis van pa
Lim was van steen en bevatte zowaar een echte piano en dochtertje Swan zong, zichzelf begeleidend,
een opera-aria voor me. Ondertussen werd ik door ma Lim volgestopt met onduidelijke Chinese hapjes
en liters stroop. 's Avonds terug naar de Volendam voor de volgende halte, Soerabaya.
Over een spiegelgladde zee langs talloze eilandjes voeren we naar
Celebes, terwijl ik een brief schreef aan de NIROM voor een plaats in het Batavia's orkest van Yvon
Baarspul.
Bij aankomst in de haven van Makassar zagen we vele oudgedienden op
de kade die ons verzekerden dat we te laat waren omdat de 'Turk' (Westerling) de klus al geklaard
had! (ongeveer 4000 doden?). We moesten ons verzamelen in een grote goedang waar het erg rook naar
copra. Vervolgens naar het 'Lajang'-kamp dat geheel uit tenten bestond en bij regen in een grote
modderpoel veranderde. Alles ging spontaan schimmelen!.
Op het eerste appel werden we toegesproken door overste Berlijn, die
vond dat we maar snel Maleis moesten leren, bij voorkeur onder de klamboe! Wel na afloop even naar
de hospik ter controle! Dat begreep ik toen niet, groen als ik was. Tijdens de eerste dagen ontstond
er grote opschudding omdat een soldaat, bij het schoonmaken van zijn geweer, per ongeluk zijn slapie
dood-schoot. Ik kende de schutter toevallig uit Groningen, waar zijn ouders een snackbar dreven in
de Heerestraat. In die dagen belde ik aan bij het huis van de familie Berlijn aan de Michielsenlaan.
Mevrouw zelf, een uiterst knappe verschijning, verwelkomde mij hartelijk. Ze speelde inderdaad piano
en was dol op Mozart. We maakten dus meteen een afspraak om samen te spelen. Het werd dan weleens
laat op de porch omdat de overste sterke verhalen vertelde over de wilde zwijnenjacht en de strijd
tegen de plaatselijke bendes. Veel te laat bracht de baas mij dan per jeep naar het kamp terug. De
wacht was natuurlijk geheel overruled.
Dochter Puckie, die erg van poëzie en muziek hield, haalde ik
weleens van school om haar naar huis te brengen. Mijn afdeling was bestemd voor de binnenlanden,
t.w. Palopo en Pare Pare, maar daar voelde ik niets voor vanwege de muziek in Makassar. Na veel
soebatten mocht ik in de stad blijven en werd te werk gesteld bij de dienst 'Welzijnsverzorging' op
de Klapperlaan met als baas luitenant Blankestijn. Elke dag moesten pakken kranten opgehaald worden
bij 'Drukkerij Celebes', directeur, de heer Vunderink. Behalve kranten moesten er ook radio's en
spelletjes naar buitenposten, zoals Bonthain, Enkarang of Madjene, gestuurd worden. Uit Groningen
kwamen berichten binnen dat het eindelijk beter ging in de zaak, dankzij flinke orders voor
legerbaretten! Ik kon aan 'de ouwe' gerust wat extra geld vragen aan oom Ferry in Medan, als ik niet
rond kon komen van de soldij (fl. 1.75 per dag). Uit pure verveling schreef ik lange brieven naar
familie en kennissen die mijn tempo niet altijd bij konden houden. Vooral Mammie deed haar uiterste
best en schreef ook wel eens naar mijn makassaarse connecties, soms gevolgd door pakjes.
Samen met een ander vioolvriendje, Ad Rombouts, maakte ik lange
wandelingen door de stad. Daarbij kwamen we door de Chinese buurt, langs de gevangenis, de soos en
het paleis van Sukawati, de gouverneur van de deelstaat O. Indonesië.
Op een avond hoorden we orgelspel uit de katholieke kerk opklinken. We liepen de trap op en maakten
ons bekend aan de rijzige organist die Jan Dol bleek te heten.
Omdat we muziekstudenten waren was er misschien een mogelijkheid om in het
koor mee te zingen? 'Jan' nam ons meteen mee naar zijn huis in de Willemslaan waar we kennis maakten
met zijn vrouw 'Maus' die heerlijke drankjes liet aanrukken. In de zeer smaakvol ingerichte
voorkamer hingen mooie schilderijen en er stond zowaar een echte vleugel!
De familie hield in die tijd open huis voor mij wat mij erg deed
denken aan thuis in Groningen waar de Amerikaanse en Canadese soldaten na de bevrijding ook in en
uitliepen. Ik mocht altijd komen viool studeren en ook probeerden we het Kegelstadt-trio, met Jan op
de klarinet en Maus aan de piano. De klarinet was erg klimaatgevoelig en produceerde, tot grote
hilariteit soms oneigenlijke geluiden. Mijn pianolessen aan dochter Pax hadden helaas geen succes.
Wel goed ging het met de lessen aan Lizan Vunderink, die beter piano speelde dan ik maar ook iets
wilde leren over muziek maken in het algemeen. De familie V. woonde boven de Celebes Drukkerij
waar ik de kranten per jeep afhaalde.
Tijdens de eerste les was ik dermate nerveus dat ik bijna een heel
pakje Philip Morris oprookte. De lessen ontaardden al gauw in heimelijke ontmoetingen op de muur van
'Fort Rotterdam', waar dan net de zon bloedrood onderging. Ze droeg altijd een bloem in heur haar,
wat mij zeer vertederde. Ooit maakten de Dols en Vunderinks een uitstapje en ik mocht mee naar een
prachtig zwembad.
Met een paar mensen had ik een pianokwartet
t.w. Van Tienen, Cheung en Tjoa. Een keer speelden we voor de plaatselijke radio maar daar
kwam geen vervolg op. Met Hans Gruys c.s. mocht ik strijkkwartet spelen in haar prachtige huis. In
Nederland was ze bekend als zangeres maar kreeg steeds meer last van doofheid. Ze maakte grote
tournees door Indonesië.
Via de Dols gaf ik ook vioolles aan twee onderwijzeressen en een
Chinese jongen die mij op de motorfiets kwam halen. O.l.v. Jan zongen wij mee in het kerkkoor, veel
gregoriaans maar ook de mis van Petrosi met als tenorsolist, de blinde mr. Huiser die gebracht en
gehaald werd door zijn dochter. We studeerden ook een requiem in voor de ernstig zieke pastoor die
ons niet mocht horen, mezza voce en zachtjes praten dus! Hij overleed kort daarna, zoals voorzien.
Het viel me op dat onze dirigent meer wist van de bijbel en de liturgie dan de 'broeders.'. Bij
gelegenheid mocht ik mee op tochtjes naar buitenplaatsen als Bantimuroeng (cascades en vlinders), de
graven van Polaca, Tello-rivier (krokodillen) en Malino. In die laatste plaats stond een
pasang-grahan met zwembad. Door te lage waterstand schaafde ik, na een spontane duik, de beide
onderarmen, maar dat genas gelukkig erg snel door de liefdevolle verzorging van Maus.
Er waren daar in die tijd nog een aantal Japanse oorlogsmisdadigers,
die in een kamp opgesloten waren. Zij werden vanuit wachttorens nauwlettend onder schot gehouden en
op een dag was het mijn beurt de wacht te betrekken. Ik heb toen met verbazing gekeken naar die
vrolijk gemutste smurfen, die geheel opgingen in het edele ping-pong spel.
Mijn 'luit' kwam per jeep inspecteren en vond het maar niets dat ik
vergeten was mijn geweermagazijn met kogels te vullen. Ettelijke keren kwamen er rapporten over mijn
gedrag bij de leiding binnen, maar nooit ben ik officieel betrapt of berispt. Halsbrekende toeren
moesten we maken als er weer eens een brug was weggeslagen. Jan reed dan stapvoets over de smalle
planken die ik in de juiste positie moest leggen. Eens, toen de radiator overkookte, dienden we
volgens Jan eerst de 'pisbuis' te repareren.
In opperbeste stemming deden we dan nog de Chinese begraafplaats aan,
van waaruit je een prachtig vergezicht had. 's Avonds gingen we wel eens
'maanblaffen' om de zinnen
te verzetten. Op de hurken gezeten luisterden we dan naar de geluiden van de natuur, terwijl de maan
overdadig scheen. Uitspraken van Jan uit die tijd zijn me bijgebleven, zoals: 'hij is zo snel als
dunne poep, Jezus van meranthe loopt met oude krante en God zal me een schaap geven of ammahoela’.
Met Bram en Toetie Vunderink en dochter Lizan zijn we op een zondag
naar het eilandje Samalona gevaren. Daar bevond zich een pasang-grahan van waaruit je heerlijk kon
zwemmen of barbecuen.
(Het is later danig in verval geraakt, zoals we in '77 konden zien.) Jans` taak in de kerk werd op
een gegeven moment aanmerkelijk verlicht door de komst van de onderwijzer 'Bert Vermeulen' die goed
met het orgel overweg kon en ook nog van het houtje was. Bij het huwelijk van Bert en Fiet hebben
Jan en ik het Larghetto van Händel vertolkt dat diepe indruk maakte. We hadden er ook stevig op
geoefend. Het echtpaar heeft enige maanden in afwachting van een eigen huis gebivakkeerd op de
Willemslaan. De eetpartijen in huize Dol waren tot ver in de omtrek fameus. Het 'voer' was grandioos
en door te veel 'schnaps' en 'bier-banteng' ontstond er een soort wild-west sfeer waarbij het bestek
door de eetzaal vloog, zeer tot ongenoegen van 'Rante', de rechterhand van Maus in de huishouding,
die juist uiterst gracieus het toetje kwam serveren. Bij die schranspartijen zaten ook vaak gasten
aan, Maus' zuster Beeps, Du Jour, (de coprabaas uit Batavia) en de Karakancheffs. Na afloop zegen we
neer in de koersi-males op de gezellige porch, waar interessante gesprekken over geloof en politiek
gevoerd werden. De tjitjaks en gekko's bevolkten de witgesausde muren terwijl muziek uit de salon de
sfeer completeerde.
Bij een van de gesprekken op de porch vertelde ik over mijn broer Cor
die het niet zo naar zijn zin had in dat roomse Tilburg waar hij economie studeerde. 'Laat hem maar
eens solliciteren voor een plaats hier op mijn kantoor', zei Jan. Dat pakte goed uit en kort daarop
kwam hij naar Makassar.
Toen ik bij het zoveelste kamp (KIS) op wacht stond stopte er een
personenauto. 'Pakje voor soldaat Peltbrugge' zei desopir. Dat was vanwege Kerstmis en het deed me
goed dat de Berlijns op zo'n moment aan me dachten. 5 - 1 R.I. was al een paar maanden geleden naar
Sumatra overgeplaatst, toen ook ik bevel kreeg met nog een paar leden van de staf-cie, alsnog scheep
te gaan, richting Padang.
Ik had daar absoluut geen zin in en vroeg overste Berlijn om advies.
'Je kunt je toch altijd ziek melden', sprak de commandant! Dat heb ik toch niet aangedurfd. De Dols
duwden me af en het viel me zwaar afscheid te nemen van mijn 'pleegouders' en het luizeleventje op
dat wonderschone Celebes.De schuit, een oude KPM-boot, voer langzaam langs de kust van Java, via
Semarang naar Batavia. Daar spoedde ik me regelrecht naar het huis van Baarspul die mij verzekerde
zijn uiterste best te hebben gedaan, zelfs bij generaal Spoor, mij in het orkest te krijgen, maar
helaas..... Daarna volgde er in de Straat van Soenda, tussen Java en Sumatra, een onvergetelijk
schouwspel, toen de maan, met op de voorgrond de Krakatau, als buitenmodel ballon vuurrood boven de
horizon verscheen. Staande op het dek heb ik daar heel lang naar gekeken. Bij aankomst in de
Emmahaven van Padang stond de luitenant ons op te wachten. Zijn gezichtsuitdrukking voorspelde niet
veel goeds.
Sumatra
Emmahaven, de haven van Padang, lag er verwaarloosd bij. De loodsen
hingen scheef en de steigers waren gedeeltelijk ingestort. Mijn luitenant bracht me naar een
tijdelijk verblijf midden in de stad, genaamd 'de ruige hoek' waar ik mijn veldbed met klamboe mocht
opzetten. Het lag aan de pondok bij het 'Grand Hotel' met verderop gezellige eettentjes zoals
b.v.Page-Soreh. In dezelfde straat was een Chinese bioscoop waar stokoude films werden vertoond. In
die eerste dagen werd een van onze jongens, toen hij een brief naar huis zat te schrijven, door een
sluipschutter doodgeschoten. Padang bij avond was beslist niet veilig voor ons militairen.
Ik werd toen overgebracht naar een weeshuis waar we op zaal lagen op
de eerste verdieping. Uit verveling ben ik het schuine dak gaan verkennen net als vroeger in de
Pelsterstraat in Groningen. Het eindigde in een glijpartij waarbij ik mijn voetzool
openhaalde. De hospik heeft het weer dicht gekregen zonder hechtingen of injecties. Mijn
afdeling werd vervolgens ondergebracht in een leegstaande villa aan een baai met uitzicht op zee en
de befaamde apenberg!
Er waren daar genoeg kamers met bureaus en in het magazijn lagen
voorraden sigaretten en drank. De deurkruk fungeerde als sleutel met alle gevolgen van dien. De
boekhouding moest zo nu en dan worden bijgesteld na een party met `geleende' jenever.
Ik had weer dezelfde job als in Makassar, alleen waren er nu ook
radio's en meubels te verdelen en moesten er bioscoopkaartjes voor mensen uit de buitenposten worden
gereserveerd. In de siëstatijd ging ik graag naar de 'apenberg' waar zich behalve apen ook oude
Japanse stellingen en loopgraven bevonden. Verder waren er Chinese graven en was het uitzicht
indrukwekkend. Het zwembad bevond zich, evenals een moskee op de helling tegenover de Handelskade
met de gevangenis.
Het w.c.-gebeuren was ondergebracht in een twee-persoons hutje boven het strand dat met een
loopplank met de vaste wal was verbonden. Gaten in de vloer waren zeer effectief. Waarom we in de
villa geen normaal toilet hadden weet ik niet meer. Wij allen moesten de tocht naar no.100 steeds
vaker maken, vanwege toenemende buikklachten die het gevolg waren van amoebedysenterie dat heerste.
(p.m.60 %)
Ik kwam voor iets heel anders in het hospitaal terecht. Pijn in de
linkerduim bleek ‘ fijt’ te zijn en de garnizoensarts gaf er zonder verdoving een flinke jaap
in, de z.g. vissebeksnede. Daarna bleef het ding nog meer opzetten en vreselijk pijn doen. In paniek
naar het ziekenhuis, waar ik de chirurg vertelde dat ik eigenlijk violist was. Onder plaatselijke
verdoving en gezellige kout heeft dr. Aalders toen het bot afgekrabd en me laten opnemen om onder
toezicht sodabaden te nemen. Op zaal heerste een gemoedelijke stemming o.l.v. vrolijke zusters. Na
een dag of 10 werd ik ontslagen en had gelukkig mijn duim en nagel nog! De violist Thomas Magyar met
pianist Ter Strake kwamen op tournee naar Padang en gaven een concert in de soos vande militairen.
Ik mocht blaadjes omslaan bij de Franck-sonate en in de pauze heb ik
Thomas gevraagd mij een lesje te geven. Dat vond de volgende dag plaats en hij beloofde in Batavia
een goed woordje voor me te doen bij dirigent Baarspul van het R.Ph.Orkest.
Er volgde een opname voor radio Padang dat in een gewoon huis was
gevestigd. Er was geen airco en vanwege burengerucht en hanegekraai moesten alle vensters worden
gesloten. Bij elke pauze of rust voerde de violist een kleine striptease uit om uiteindelijk bij het
laatste deel te eindigen in onderbroek. De vrouw van de ritmeester, die meekeek en luisterde door
een glazen afscheiding was toen al verdwenen. Samen met pianist luit. Van Pelt gaf ik op 2e paasdag,
in aanwezigheid van de plaatselijke commandant, een matinee in de AMVJ, wat zelfs een goede kritiek
in de krant opleverde plus een sigarettenkoker.
Van de directrice mevr. Traanboer (!) mocht ik in de bijgebouwen
viool studeren, terwijl vriend Veldkamp er ook een bureau had waar hij de AMVL administratie deed of
voor een cursus studeerde. Toen ik eens in de buurt op wacht stond bij een munitiedepot hoorde ik in
de verte vioolmuziek, dus ging ik midden in de nacht op verkenning uit. Twee Indonesiërs waren aan
het musiceren op de voorgalerij van een kamponghuis. Ze schrokken zich een ongeluk toen dat
soldaatje erbij ging zitten. Ik heb ze een beetje geholpen en mocht ze toen een paar keer les geven,
zeer romantisch begeleid door het zoemen van duizenden insekten. Toen ik ze later in Batavia nog
eens opzocht, was ik niet zo welkom meer. Er hing een groot portret van Mao aan de muur en ze hadden
het over merdeka en zo.
De vrouw van de commandant van de Irenebrigade, mevr. Jacobson
speelde aardig piano en we studeerden geregeld samen bij haar thuis.
Eens vond ik in de vioolkist een briefje met de tekst 'je gezicht
lijkt op dat van Beethoven'. Dat heb ik toen maar zo gelaten want ze was me veel te dik. Met een
amateur-zangeres en een bariton bereidden we een kerstconcert voor in het Oranjehotel. Dat is helaas
nooit doorgegaan vanwege de 2de politionele actie (10 december'49)! Het geweer moest weer uit de
kast en er heerste een dreigende stemming in Padang. De demarcatielijn werd overgestoken d.m.v. het
afschieten van de dienstdoende TNI-grens-soldaat. Het terrein was moeilijk en het bruggehoofd werd
maar moeizaam uitgebreid in richtingen als Fort de Kock, Solok, Pariaman en Painan.
Voor de ravitaillering naar de laatste twee plaatsen moesten we
gebruik maken van schepen. We voeren zonder problemen naar Painan maar de tocht naar Priaman verliep
heel anders. De Higginsboot (060) werd aan de Handelskade gecharterd en vol gestopt met groente,
limonade, sigaretten en jenever. Behalve de Chinese bemanning gingen de luit, twee man van kantoor
en ik mee. Het weer was niet al te best en tegen de avond brak er een oorverdovend onweer uit
waarbij het bootje erg te keer ging. Uiteindelijk belandden we in de branding en daarna tegen de
basaltblokken.
De petroleumlamp viel op de grond en er brak zowaar brand uit. Al wadend bereikten we het strand
waar de luit mij vroeg terug te gaan om mijn spuit te halen. Met levensgevaar heb ik dat toen gedaan
waarna bleek dat we niet goed wisten of we op vijandelijk terrein waren of niet. (spuit = geweer Lee
Enfield)
Onder het zingen van Hollandse 'evergreens' hoorden we plotseling een
geruststellende stem die riep:” het is wel goed Luit”. We reden op de laadbak van een
driekwarttonner naar het kamp toen ik ineens achterover werd geslagen. Een laaghangende elektrische
draad had mij volop in het gezicht geraakt. Ik bloedde nogal in de oogstreek maar het mandiën met
koud water hielp erg goed. Het werd toch nog gezellig toen met veel bier de goede afloop werd
gevierd. In dat kamp liepen jongens rond met kopspijkers in de kolf van het geweer, voor elke
treffer (pelopper) één spijker. Ik had daar gemengde gevoelens over. Mijn afdeling moest de baai
van Boengoes gaan bezetten daar de rest van de afdeling verder was getrokken. Terwijl het regende
kwamen we daar aan en vonden aan het strand een heuse piano die in erbarmelijke staat verkeerde. In
een van de kamponghutjes stelden we onze veldbedden op en we hadden vandaaruit een schitterend
uitzicht op deze, terecht, beroemde, baai.Er was nog een incident met het uitproberen van een
machinegeweer dat gelukkig goed afliep.
's Avonds was er een kring van vissersbootjes die allen licht
voerden. Het wachtlopen was een vast onderdeel, 2 uur op, 2 uur af. Toen er 's nachts een paar
kokosnoten met een geweldige klap voor mijn voeten viel, was de lol er af. Vandaaruit ging ik
weleens mee op konvooi naar plaatsen als Siguntur en Tarusan waar vriend Veldkamp zijn plicht
vervulde. Af en toe was er een actie van de TNI-soldaten die onder het schreeuwen van: madjoe
merdeka, tot de aanval overgingen. Ik was daar gelukkig nooit getuige van. Om aan meubels te komen
moest ik mee met een uitstapje per carrier over de demarcatielijn. Bij het naderen van een kampong
werden voor de lol eerst alle honden afgeschoten waarna er nog een paar salvo's volgden op de
schamele hutjes. Bij inspectie troffen we dan nog enkele armzalige vrouwtjes met baby's aan. Op het
dorpsplein ontdekten we een recent opgerichte naald met o.a. het woord 'Merdeka'. Met een ketting
werd dat monument door de carrier omver getrokken. Van dit voorval moest natuurlijk een foto worden
gemaakt, echt kwajongenswerk.
Op de terugweg "ontvingen" we vuur vanaf een naburige
kampong. Een paar van ons gingen er meteen op af, al schietend. Het werd plotseling heel stil aan de
andere kant, want dat hadden ze niet verwacht. Een eenvoudige tani (boer) die we inhaalden werd op
de knieën gesmeten en vakkundig gekneveld en verhoord, over de verblijfplaats van de schutters in
de verte. Er kwam niets uit en we reden maar terug naar ons bivak. De TNI trok zich ook niets van de
D.-lijn aan! Als er spullen naar de buitenposten moesten worden vervoerd, mocht ik achterop de open
laadbak de boel bewaken. Als levende schietschijf kreeg ik het spaans benauwd, vooral als ik wist
dat het vorige konvooi het niet gehaald had en de chauffeur was doodgeschoten.
Dikwijls moest ik ook met de aalmoezenier mee naar de
'erebegraafplaats' waar onze jongens met saluutschoten ter aarde werd besteld. Geregeld ging ik ’s
zondags naar de kerk waarna ik op de pondok naast de AMVJ een vorstelijke loempia verorberde.
Iedereen liet in die dagen een kist maken door de plaatselijke Chinees voor maar 20 rupia. Dat was
voor de terugreis die niet zo lang meer kon duren, dachten we. Als de soldij weer eens op was, liet
ik pappie via oom Ferrie een cheque opsturen. Onze facteur kwam die dan op zijn motorfiets brengen
met als gevolg dat ik plotseling meer vriendjes had dan normaal die allemaal ongevraagd mee aanzaten
in restaurant Page Sore. Ik verschaapte dan en betaalde de hele hap. 'Makan pedis betul.'
Een onvergetelijke tocht heb ik, met nog een paar jongens mogen
maken, via de Aneikloof naar Fort de Kock. (Bukit Tinggi). We bezochten het beroemde karbauwengat en
de gezellige pasar, waar spullen voor thuis gekocht werden.
In het soldatenblad 'Wapenbroeders' verscheen een oproep om als
programma-maker in Batavia te worden geplaatst. Ik zag mijn kans en diende een verzoekschrift in
6-voud in. Niet lang daarna zat ik op de boot, uitzinnig van vreugde. Voor vertrek kreeg ik nog een
soort onderscheiding opgespeld vanwege twee jaar trouwe tropendienst o.i.d.. Bijna iedereen kreeg
dat automatisch, en er werd nogal lacherig over gedaan.
Batavia - Djakarta
Van deze derde aankomst in Batavia kan ik me niets herinneren. Ik
werd gelegerd in de barakken van een klein militair kampement in de wijk 'Petodjo' aan de Djaga
Monjet. Aan een lange gang had ieder zijn eigen kamertje dat aan een kant open was en aan het eind
stonden grote ijzeren drums met mandiwater. Even verder was het huis van de dokter en op de hoek het
kantoor van het Coprafonds. (Rijswijksestraat aan het begin van het Molenvliet.)
Het was tien minuten van mijn werkplek in de bijgebouwen van de radio aan het Koningsplein.
Vanwege mijn 'klassieke' verleden vond mijn nieuwe baas mij beter
geschikt voor het maken van serieuze programma's i.p.v. militair entertainment. Ik kon ongestoord
muziek afdraaien en programma's samenstellen voor radio Batavia. De platen waren niet altijd van
goede kwaliteit en vaak krom getrokken door warmte en/of vocht. Dirigent Baarspul stelde me voor aan
het orkest en gaf me een plaats bij de tweede violen. Ik moest van de leiding wel mijn
soldaten-pakje aanhouden wat de nodige opzien baarde. Ik ontmoette daar oude bekenden, zoals de
violisten Waghto en Koene. De dubbele baan kostte veel energie en er bleef weinig tijd over voor
ontspanning. Financieel veranderde er ook niets, zodat ook nu weer een beroep werd gedaan op de
suikeroom in Medan.
Het orkest (Batavia's Filharmonisch Orkest) trad in die tijd, behalve
in de studio, ook op, in de dierentuin en de Portugese buitenkerk. Van de gespeelde werken herinner
ik me nog de 4e van Beethoven en de schilderijententoonstelling van Moussorgsky. Studeren kon ik
slechts in de bijgebouwen, tussen de bedrijven door. Jos Cleber dirigeerde in die tijd het
promenadeorkest met waarschijnlijk dezelfde mensen als van het grote uitgezonden orkest.
Helaas was het mij verboden om op tournee te gaan voor
buitenconcerten op Java of naar Singapore. Om lekker goedkoop chinees te eten moest je naar Glodok,
waar ik kikkerbilletjes heb leren waarderen. Saté-ajam of -kambing kon je net zo goed bij een
stalletje op straat verorberen. Ook nasi rames in pisangblad was populair. Als het geld helemaal op
was kon je altijd een gedeelte van je wekelijkse rantsoen doorverkopen op de passar baroe.
Sigaretten, zoals Escort en Zipper, brachten nog heel wat op! Ook militaire kleding ging wel eens
van de hand, vooral de warme truien. Ik maakte vaak gebruik van de tram die langs de schouwburg en
de Harmonie reed, om na de bocht langs het Molenvliet, met Des Indes, naar de benedenstad te rijden
De pasar ikan bij de haven was een geweldig leuk uitje. Onderweg zag je dan badende of poepende
inlanders, maar ook geveltjes en het oudhollandse ophaalbruggetje.
Veel orkestleden woonden op de Chaulanweg en in die buurt bevond zich
ook het nieuwe onderkomen van de familie Lim. Bij hen was ik altijd welkom en op een zondag hebben
we zelfs een tochtje gemaakt naar Polonia, een attractie-parkje op weg naar Buitenzorg. Met
dochtertje Swan kon ik goed overweg en als dank voor de vriendschap kreeg ik van haar een
vorstelijke sigarettenkoker. Al haar broers, Tjiang, Beng, Han en Tin studeerden toen met hollandse
beurzen aan het Amsterdams conservatorium. Vader Lim had de jochies met harde hand muziek laten
studeren en ze hebben het later ver gebracht. Johan Giesen bewoonde met zijn knappe vrouw een
prachtig huis. Hij was een goede pianist terwijl zij aan beeldhouwen deed. Met twee confraters zijn
we hun op een zondagmiddag gaan opzoeken. We keken onze ogen uit, komende uit de kazerne, en
verlustigden ons aan alle pracht en praal. Enkele jaren later begeleidde Johan Lim kek Tjiang aan de
piano tijdens een tournee door Indonesië waarbij ook Makassar werd aangedaan. Ten huize van Leo de
Beer, mijn hoogste baas bij de radio, werden zo af en toe grammofoonplaten gedraaid van
pianoconcerten van Prokofiev dikwijls door hem zelf toegelicht. Ook Baarspul woonde in een riante
villa en liet zich in met mooie vrouwen en snelle auto's.
Eind '49 heb ik de nachtmis mogen meemaken in de kathedraal van
Batavia wat voor mij een belevenis was. In die dagen moesten wij plotseling het Indonesia Raya
volkslied instuderen vanwege de komende overdracht. De ceremonie vond plaats op het Koningsplein,
(27 december 1949), niet ver van het presidentiële paleis met veel hoge pieten. Toespraken dus en
het strijken van de Hollandse vlag met aansluitend de beide ingestudeerde volksliederen. Onze taak
zat er op en er ging heel wat door je heen. Nu de druk van de ketel was, mocht ik eindelijk eens een
weekje met binnenlands verlof.
Ik koos Bandoeng omdat de temperatuur daar, volgens zeggen, lager lag dan in het benauwde Batavia (Djakarta)
en omdat ik daar een vriendje had zitten. Je ging in een tweetonner over de Puntjakpas naar boven en
arriveerde dan in het lommerrijke Bandoeng met zijn
brede alleéen, omzoomd door Canariebomen.
's Avonds gingen we gezellig stappen of pikten een bioscoopje met
ouderwetse zwart-wit films. Het koele bier stroomde overdadig. Beneden gekomen hoorde ik dat je kon
'spelen' voor de viool van de omgekomen Rudy Broer van Dijk.
De vader van dit, bij een vliegtuigongeluk omgekomen, wonderkind
stelde als prijs een viool van zijn zoon ter beschikking. Ik studeerde als een gek op het
vioolconcert van Mendelssohn en met de befaamde Ter Strake als begeleider dacht ik dat ik een goede
indruk op de jury gemaakt had. Ja, ik had gewonnen, maar omdat rivaal Rombouts geen behoorlijk
instrument bezat, werd er druk op mij uitgeoefend om de viool aan hem af te staan. Dat is toen
gebeurd wat ik achteraf toch wel betreurde.
Het hele gebeuren werd uitgezonden op de radio in Holland en in
Groningen hebben ze daar iets van opgevangen, wel met veel gekraak. In de kersttijd werd het de
militairen toegestaan kosteloos een gesprek met familie in Holland te voeren.
Na alle brieven over en weer wist geen van beide partijen na 2 1/2 jaar nog iets zinnigs uit te
brengen.
Tijdens een van mijn wandelingen kwam ik langs Des Indes, waar ik
toevallig Jan Dol op het terras zag zitten. We hadden een wat vormelijk gesprek, waarbij ik hem
vertelde van de mogelijkheid terug te gaan naar Holland of te emigreren naar Australië. Jan vond
het een goed idee eerst nog eens te solliciteren naar een functie bij zijn fonds in Makassar om er
een gratis vakantiereisje van te maken en mijn broer weer eens te zien. Enige tijd later werd ik
uitgenodigd op het kantoor van de Copra, bij mij op de hoek. De directeur Du Joer doorzag het snode
plan en blies de hele actie af. Ik ben toen maar eens in de pen geklommen om iedereen in Makassar te
informeren (Dols en Vunderinks alsmede de Berlijns) dat mijn volgende bestemming Amsterdam was.
In maart 1950 stond ik op een lange lijst voor de repatriëring naar
Holland en werd daarvoor ondergebracht in de Koning
Willem III school in Djati Negara. De stemming daar was nogal deprimerend, maar het aftellen was
begonnen!. We gingen de stad niet meer in en doodden de tijd met wachtlopen en kaart leggen. Bij
betaling van de soldij bleek ik ineens onder de V. te zijn ingeschreven, zodat ik twee keer in de
kilometers lange rij kon plaats nemen. Op open vrachtwagens ging het tenslotte richting Tandjoeng
Priok, waar de 'General House' al onder stoom lag. Met gemengde gevoelens ging ik de loopplank op
met in de plunjezak nog steeds de Klotz-viool van mijn
vader. Door een staking van de inlandse havenarbeiders zag ik blanken hun werk met de nodige
toewijding overnemen. De 'House' was een gigantisch liberty-schip met echte britsen en douches. Als
corveër moest ik bedienen in de officerslounge en tussendoor kranen met vim poetsen.
De terugreis verliep uiterst vlot en om ze te waarschuwen stuurde ik
een telegram naar Groningen met de tekst: 'de beer is los'. We kwamen in Amsterdam aan en werden
verwelkomd met het Wilhelmus en toespraken. Zuster Wilma stond naast haar schoonvader dhr. Pabbruwe
op de kade op me te verwelkomen.
Per bus ging het toen richting Groningen waar een liefdevolle
ontvangst volgde op de Jozef Israëlsstraat 26. Het geweer mocht je nog even houden alsmede je
soldatenpakje. Van mijn ouders kreeg ik een prachtige fiets (die in Amsterdam prompt gestolen werd.)
B.F.
|