Interview met Herbert Kuin door Henri Lansink redacteur Trivizier
VBM/NOV: 11-2005
‘Ik zou het zo weer doen. Maar Korea niet.’
Ik tuimelde bijna
achterover bij mijn eerste schot
… daar zagen we hoe gewonden en gesneuvelden afgevoerd werden
Er werd echt bij gejankt!
“Het was niets bijzonders.” Dit zinnetje spreekt Herbert Kuin (74)
vaak uit als hij het heeft over zijn ervaringen in Korea (1952 -
1953). Hij gaat naar de herdenkingen in Schaarsbergen. “Maar ik
blijf wel in de tent.”
Als je Kuin vraagt waarom hij in de tent blijft bij de herdenking
van de gevallenen in Schaarsbergen, dan zegt hij voorzichtig: “Dat
wordt me te veel”.
|
 |
Kuin deed zijn eerste ‘militaire’ ervaring in 1947 op bij het KNIL.
Als 16-jarige was hij van huis weggelopen. “Bij het KNIL kon ik aan
de slag als chauffeur. Je werd dan geen echte infanterist, maar je
kreeg wel een Lee Enfield. Ik werd ingedeeld bij de groep die het
militaire complex in Tandjong Priok moest bewaken. Je kreeg geen
schiettraining. Toen zijn we zelf maar wat gaan schieten. Ik
tuimelde bijna achterover bij mijn eerste schot. Wist ik veel dat je
de terugstoot met je schouder moest opvangen! Ik reed in een
4-tonner Chevrolet. De route naar Madioen was het gevaarlijkste. Ik
ben een keer op een mijn gereden. Gewond was ik niet, ik kon alleen
een maand lang bijna niets meer horen, zo doof was ik.”
December 1951 gaat Kuin definitief naar Nederland. Gelokt door de
hoge premies - “ik weet niet meer hoe veel we per dag kregen, maar
ik weet wel dat ik na afloop 3000 gulden op mijn spaarrekening had
staan, een ongelofelijk hoog bedrag in die tijd” - geeft hij zich op
als vrijwilliger voor Korea. Hij is goedgekeurd voor dienst bij de
Koninklijke Landmacht … “ondanks mijn doorgezakte voeten”.
De KL had dringend behoefte aan vrijwilligers voor het Nederlandse
Detachement. Toch was de selectie redelijk streng: “Er kwamen in
Hollandia 130 man naar de keuring en ongeveer 20 konden op Ifar aan
de eerste opleiding beginnen.” Eind maart 1952 was Kuin klaar met
zijn opleiding in Roosendaal. Hij vertrok op 30 mei 1952 met het
troepentransportschip General LeRoy Elting. Kuin maakte deel uit van
het 10e aanvullingsdetachement onder leiding van kapitein Vader, ook
wel ‘Papasan’ genoemd.
Op 5 juli 1952 kwam het schip aan in Pusan. “De stad lag helemaal in
puin. We moesten door de modder baggeren. In een half gesloopte
trein ging het verder naar het Noorden. “Verwarming zat er niet in
en je zag dat er in de wagons vuurtjes waren gestookt. Maar zelfs de
vent met de grootste mond werd echt stil toen we in het tentenkamp
van het detachement aankwamen. Want daar zagen we hoe gewonden en
gesneuvelden afgevoerd werden.”
Kuin was munitiewerker bij het mortierpeloton van de
ondersteuningscompagnie in de rang van soldaat 2e klas. De opleiding
kreeg hij ‘aan het front’. Het detachement bezette een frontvak in
de ‘IJzeren Driehoek’ (T-Bone, Arsenal). Het front was in 1952 al
redelijk stabiel. Kuin: “De Chinezen zaten ongeveer 500 meter
tegenover ons. Alleen de heuveltoppen werden bezet. Later werden er
concertina’s en mijnenvelden gelegd. Verder kwam er een
waarschuwingssysteem met fosforbommen. Naast de versterkte posities
op de toppen waren er ‘luisterposten’ in het voorterrein. Daar zat
je dan met 3 man op de uitkijk. Dat was een spannende bezigheid. Als
je zag of hoorde dat er Chinezen aankwamen, dan gaf je een melding
en maakte je dat je wegkwam. We zaten er een keer met een Koreaan en
die zei: ‘I smell Chinese’, en verdomd, het was nog waar ook! We
hadden een lange Amsterdammer, we noemden hem ‘lange Leijen’. Hij
maakte graag grappen. We zitten in het donker te turen en plotseling
zegt Leijen: ‘Ik zie wat’. Hij kijkt nog eens extra aandachtig,
Afijn, Do Han, de Koreaan, en ik kijken extra goed. ‘Wat zie je dan
man?’ Leijen: ‘Ik zie een rood lichtje’. Maar ik zie zelf niks. Zegt
Leijen: ‘Volgens mij zie ik een beer op een step met een rood
achterlichie’.”
Het frontleven - de Nederlanders hadden een schema van globaal 3
maanden op 1 maand af - zelf was relatief gezien ‘aangenaam’, in
ieder geval beter dan de periodes in het ‘rustkamp’ een aantal
kilometers achter het front. Daar was er ‘kazernedienst’, met
strakke discipline. In vergelijking daarmee was het front een
vrijbuiterbestaan, aldus Kuin, die overigens tijdens één van de
periodes dat hij niet aan het front zat bij de Amerikanen een
onderofficiersopleiding kreeg. Daar had hij één van zijn heftige
ervaringen toen één van de 4 Nederlanders bij de opleiding omkwam
bij een ongeval met een vlammenwerper. Kuin: “Stom eigenlijk, wij
gebruikten dat ding niet”. Maar de opleiding zelf was een van zijn
leukste ervaringen. Kuin: “We hadden vooral lol met de ‘general
orders’. Die moesten we uit ons hoofd leren. Een van ons, Hermsen,
was een kei in het ‘vernederlandsen’ van het engels. Bij een
overhoring vroeg de instructeur hem naar de tekst van de eerste
‘general order’. ‘Naar de geile wijven kijken’, zei hij toen.”
Maar het front betekende wel spanning. Kuin: “Het ergste was het
voortdurende artillerievuur. Daar vertelde je in je brieven naar
huis natuurlijk niets over. Maar dat was er altijd, het gesuis van
de houwitsergranaten en het ‘geplop’ van de mortieren. Die maakten
regelmatig slachtoffers. De Roo is zo gesneuveld. Zelf heb ik zo een
zeer spannend kwartier beleefd. We kregen een gerichte
artillerieaanval overdag en ik zat nog in de loopgraaf. Dat geluid
van krakende aarde bij de inslag en het ‘zjing’ van de wegvliegende
scherven vergeet ik nooit meer.”
In de periode zomer 1952 tot zomer 1953 waren er geen grootschalige
aanvalsacties meer aan het front. “We hebben wel wat
pelotonsaanvallen van de Chinezen gehad. Dan kreeg je alarm -
meestal ’s nachts - sprong je uit je bed, rende je naar de loopgraaf
en begon je te knallen. Natuurlijk scheet je dan figuurlijk in je
broek, maar je bleef schieten tot je bevel kreeg te stoppen.” Dan
relativerend: “Maar het klinkt soms spannender dan het is. De
belangrijkste vragen aan het front zijn: wanneer krijg ik te eten en
te roken? Het eten was goed, de kleding was prima, er was altijd
voldoende munitie. Ik heb nooit kou geleden. Je moest wacht lopen
bij de stukken, je had corvee en je hield je bezig met het maken van
versterkingen en het verbeteren van de stellingen. De rest was
duimendraaien. Vooral wij, van de ondersteuningscompagnie, mochten
niet mopperen. De infanteriecompagnieën zaten op slechtere punten.
De mensen vóór ons, die Inje en Hoengsong hadden meegemaakt, zullen
zeggen dat wij ‘vakantie’ hadden.”
Echt spannend was het echter wel in de luisterposten en uiteraard
wanneer je zelf met een ‘gevechtspatrouille’ meeging. Dat was een
groep van minimaal 25 man. Meestal waren dat verkenningspatrouilles
‘om de gaten te dichten’, om te kijken of de vijand nieuwe posities
had ingenomen. Een enkele keer was het ook een gerichte
aanvalspatrouille. Kuin: “Ik was een keer mee toen we een
storingsbunker, een mitrailleur met 6 Chinezen, hebben ‘gesweept’.
Bij de bestorming sta ik oog in oog met een Chinees die mij wil
slaan met de kolf van zijn geweer. Ik zie nog zijn verwrongen
gezicht terwijl hij zijn geweer optilt. Je durft het eigenlijk niet,
maar je ziet die kerel en je weet dat hij je wil doden. Je bent
schizofreen, het is een medemens of jij. Ik heb hem uitgeschakeld en
ben doorgerend. Want na zo’n bestorming ga je snel weer naar beneden
om te consolideren. Ik weet niet of hij dood was. Of ik bang was om
zelf dood te gaan? Op zo’n moment niet. Je bent helemaal
geprogrammeerd op de dril. Maar je weet wel dat je zelf ook een keer
kunt gaan.”
De 10 maanden in Korea zijn wat Kuin betreft ‘omgevlogen’. “Gek
genoeg is het afscheid van het front erg treurig. Er werd echt bij
gejankt! Je neemt afscheid van je beste ‘kameraad’, en dat is in dit
geval de groep waarmee je samen was. Nederland had een
‘opvulsysteem’. Dat betekent dat er geen ‘eenheden’ maar individuele
militairen gerouleerd worden. Je laat dus kameraden achter en daar
maak je je zorgen over. Ik dronk niet veel. In Tokyo, tijdens de
week ‘rest and recuperation’ bij ‘Appeltje’ en ‘Pruimpje’ - onze
Japanse bediendes - in het Hollandhuis, heb ik veel gezopen. En op
de dag voor mijn vertrek heb ik me volledig bewusteloos gezopen. Ik
weet echt niet meer hoe ik het vliegtuig ben ingekomen. Ik weet wel
dat ik wakker werd tussen Joop Kleprogge en Henk Hellendoorn, twee
sterke kerels die mij op dat moment duidelijk maakten dat ze mij het
vliegtuig ingedragen hebben.”
Terug in Nederland hoorde Kuin voor het eerst van de - politieke -
meningsverschillen over de inzet van het Nederlandse detachement.
“Ik zat in Den Haag in de tram en stond op voor een oudere dame. Zij
weigerde want ze wilde geen zitplaats van een moordenaar.”
Kuin nam de oorlog nog wel een tijd mee. “Ik dook weg als ik een
klap hoorde en ik keek eerst goed om de hoek voordat ik verder liep.
Toen ik in Weert de onderofficiersopleiding ging volgen, sprong ik
gelijk in de gevechtshouding als iemand mij wakker porde. Dat heeft
toch wel een paar maanden geduurd.” Maar Kuin kreeg geen
stress-syndroom. “Ik was nog maar 14 jaar toen ik voor het eerst een
grote hoeveelheid lijken zag liggen. Dat was in Semarang bij de
bevrijding in 1945. En in Korea heb ik geholpen bij het opruimen van
tientallen Amerikanen die gesneuveld waren bij een
verrassingsaanval.”
Het sneuvelen van 2 krijgsmakkers heeft wel indruk gemaakt. Kuin
noemt meteen Puck de Roo (14 februari 1953) en kapitein Kamevaar (op
18 maart 1953), de commandant van de ondersteuningscompagnie die
overigens omkwam toen hij deelnam aan een actie van de A-compagnie.
Er was trouwens opvallend weinig ‘eerbetoon’ bij terugkeer voor de
Koreaveteranen. “Ik kwam veel mensen tegen die niet eens wisten dat
Nederlandse militairen in Korea vochten.” Kuin koos, terug in
Nederland, voor een loopbaan bij de Landmacht en kwam door een
plaatsing als AAT’er op de Bernhardkazerne in Amersfoort bij de
cavalerie terecht. Hij ging in 1986 de dienst uit als adjudant
onderofficier der artillerie. “Die tijd bij de Landmacht is me niet
tegengevallen. Ik zou het zo weer doen. Maar Korea niet!”
|
|