|
NOORSE REIS
Moeizaam
hijs ik me met een zware koffer aan boord van Hr. Ms. „de
Zeeuw", een zojuist uit Amerika aangekomen fregat, dat met Hr. Ms. „van Zijll", bij het smaldeel zal worden ingelijfd. Er is
een hoop gebeurd lezers in de zestien dagen die we binnen zijn geweest
na onze terugkomst van oefening „Progress"
Ik
had een buidel vol met kat bij aankomst en heb dus behoorlijk de
gebraden haan uitge- hangen op mijn jachtterrein in Den Haag, zijnde
de Kneuterdijk en omstreken.
Het
heeft me goed gedaan in het koude kikkerlandje terug te zijn en weer
in mijn gezellige stamkroegje te duiken (het Jagertje) en stoere
verhalen te vertellen aan de daar vergaderde menigte. Alleen heb ik me
een der laatste avonden lelijk vergaloppeerd, want toen ik even na
twaalven op weg was naar het schip had ik door al het bier een
aanzienlijk hoge druk in het centrum, zodat ik haastig naar een paal
toeschoot om daar stoom af te blazen.
Helaas...... Met
mijn door borrels zwemmerige oogjes had ik niet scherp genoeg
uitgekeken en de benen van een agent voor een paal aangezien. Mijn
metgezel vond het erg grappig, schoot in een lach en zei op zijn
Haags: „Agent, dat is
nu es een canis familieris, zag!"
De
agent had blijkbaar geen gevoel voor humor want hij gaf me een
doodschop en daar ik nog steeds door de drank beneveld was; had ik een
dermate afvuurvertraging dat ik de schop niet kon ontwijken en zo lag
ik naar adem snakkend op het plaveisel. Mijn metgezel hielp me op, ik
kon slechts op drie poten lopen en zo hinkte ik tegen ochtendgloren de
kazerne binnen; ik liep gelijk door naar de ziekenboeg waar ik als een
blok op de bank in de wachtkamer in slaap viel. Het resultaat van het
doktersonderzoek was echter niet mals; poot verstuikt en absolute rust
gedurende vijf dagen!
Dit
gaf het nodige telegrammenverkeer tussen de MKDG - Marinekazerne Den
Haag en CSML 5.
Het
eindresultaat was een telegram van de volgende inhoud:
Van CSML 5 niet geheim
uitgesteld.
Aan
MKDG
Info CZMNED MINMAR CDFREG
DE ZEEUW
shd
II Joseph stbknr. 1001
na herstel helderwaarts dirigeren en betrokkene inschepen de zeeuw ter
overvoer tromp - 021030 A/Jul.
Hierbij
merk ik nog even op (ten bate van lezers die niet thuis zijn in het
luizenhuis) dat shd de officiële afkorting is voor scheepshond",
als vastgesteld op initiatief van de Redactieraad van het Ministerie
van Marine in beschikking No. 12356789/2398723/5136450 d.d. 30
Februari 1951.
En
zodoende lezers, strompel ik dus nu de valreep op van Hr. Ms. „De
Zeeuw". De ontvangst
is zeer hartelijk moet ik zeggen. Het leven aan
boord van dit kleine scheepje is wel heel anders als op de
Tromp. Alles is veel gemoedelijker en minder officieel. 's Middags
verlaten wij de haven, het weer is redelijk en de twee fregatjes
bewegen bijna niet; door het Molengat begeven we ons naar buiten, en
vervolgens gaan we om de Noord, om een paar dagen later rendezvous te
houden met Tromp, Dubois, Tijgerhaai en Zeehond, die plaatsen in
Schotland hebben bezocht.
De
volgende morgen houden we manoeuvreeroefeningen,aangezien ik daar tuk
op ben, bevind ik mij doorlopend op de brug. Het weer wordt steeds
slechter en de wind steekt op tot er witte koppen komen op de golven
en de fregatten hun beroemde slingerdans aanvangen. Houd je dan maar
vast, waarde lezers! Ik ben op het stoeltje op SB brugvleugel
geklommen en moet me behoorlijk knijp zetten om er niet af te rollen.
De Commandant zit aan BB en nu eens zie ik zijn profiel hoog in de
lucht en enkele seconden later beneden me vlak bij de golven. En de
snelheid waarmee die fregatten slingeren, het lijkt wel een cake walk,
je weet wel die dingen waar je met je vriendinnetje op gaat lopen op
de kermis. Het beroerde is alleen dat je van een cake walk kan
afstappen wanneer je wil, maar van een slingerend fregat niet.
's Middags neem ik eens een kijkje in radiostation en
commandocentrale. Dit laatste wordt mijn ongeluk, al spoedig zie ik
alle plottafels en borden om me heen zwaaien en ik krijg een vreemde
gewaarwording in de maagstreek. Met gezwinde vaart verdwijn ik naar
beneden en plof op de bank neer in de longroom om weer op streek te
komen. Wat een bedrijf!.
De
Commandant en de niet wachthebbende officieren komen binnen en
bestellen een neutje. Ook een borrel?" vraagt de commandant. “
O, heel graag, daar heb ik een reuze trek in" lieg ik met een
stalen gezicht (tenminste dat denk ik). Daarna is het tafel, bij het
gezicht van de in vette jus zwemmende vangballen (gehakt) wordt het
mij te machtig en na haastig een excuus te hebben gemompeld ren ik
naar de railing en hup twee,
daar gaat ie voor niks!
De volgende dag is het weer nog beroerder, we ontmoeten de rest van
het smaldeel en de oefeningen gaan nu pas goed beginnen. Het is me
onbegrijpelijk hoe die lui het volhouden op zo'n heftig bewegend
schip, waar je je zelfs in je kooi stevig moet vasthouden, wil je er
niet uit worden geslingerd. „Ja", zegt de commandant als ik het
er over heb met hem, “ik lijd hier na een paar dagen in
smaldeelverband al aan de zogenaamde „Smaldeelslaap", dat wil
zeg- gen geen slaap oftewel Chinese Zeewacht". „O", zei
ik.
De
dag voordat we Odda binnenlopen wordt ik weer overgezet naar de Tromp,
gelijktijdig met een ander stelletje „mutaties”. Ik neem hartelijk
afscheid van de diverse opvarenden en weldra hobbelen we Trompwaarts.
Mijn
zeeziekte ben ik gelukkig kwijtgeraakt, alleen heb ik een erg
hol gevoel in mijn voor- schip en ik neem me dan ook voor om
het gauw weer bij te spijkeren. Als ik aan boord stap waggel ik
enigszins, want het slingeren zit me nog stees in de benen. Zodra alle
sloepen weer zijn gehesen wordt het verband geformeerd en stomen we in
kiellinie naar de Hardanger- fjord. Het is Donderdag, dus eten we
rijsttafel en ik schaft m'n pens weer eens goed vol en zijg daarna met
'n zucht in m'n oude vertrouwde bagagenet, om eens een ongestoorde
piepslag te maken tijdens de middagrust.
's
Avonds is er een eenvoudige lanceeroefening, voor zover die eenvoudig
kan zijn en daarna in de schemering muziek op de bak. Het is een
magnifieke gelegenheid ervoor; we schijnen nu ver genoeg van Holland
te zijn verwijderd om mooi weer te kunnen hebben. De schemering zet
laat in en maar heel geleidelijk wordt het donker. In het Westen is de
lucht rood om langzaam over te gaan in heel diep blauw in het Noorden,
een voor een worden de sterren aangestoken en het laatste restje wind
dat er nog is vindt het nu ook nodig om te gaan liggen. Ik voel me
heerlijk rustig en vredig en vlij me met een zucht van voldoening neer
op het SB-ankerspil, waarbij ik helaas met mijn staartstompje een leeg
coca-cola-flesje omgooi, dat kletterend op het dek valt.
“Daar
valt het werkbriefje" merkt een van de stokers op die met z'n
pijpje in de hand en omringd door een stel collega's op dek zit. „Je
hebt toch van die lui die overal wat op weten te zeggen", denk
ik. Het „strijkje"
of beter gezegd het „tokkeltje", want het bestaat grotendeels
uit guitaars komt er echt in, „ze spelen „Good night, Irene",
begeleid door de trekpiano.
Boven
op de brug zie ik de hoofden van de commandant en de chef staf over de
windwering kijken.
Wie
is toch die ene met al die strepen" vraagt een piepjong stokertje
die vlak bij me zit aan een der ouderen. “Dat is nou de commandant
m'n jongen" gromt deze. Maar wie is nou die knaap daarnaast dan,
is dat niet de eerste officier? "Wel nee jongen, dat is z'n
maat!" is het antwoord. Ik schiet in een lach. „Heb je het
door?" vraagt de oudere weer. „Wat bedoel je?" Nou, dat je
belazerd wordt natuurlijk", besluit de oudere terwijl hij
opstaat. „Saluutjes jonge, ik mot effe naar beneje om de dominé te
helpen de dag te sluiten".
De
muziek wordt nu sentimenteel, ,terang boelang" wordt er heel
toepasselijk gespeeld, want een keurig opgepoetste volle maan is
inmiddels verschenen. Iedereen neuriet mee en ik heb het niet meer van
ontroering, een dikke prop schiet in mijn keel, ik hef mijn kop omhoog
en kreun mijn maanbluf, „Woe hoew, woehoew ...”
„Kom
maar hier ouwe kleerelijjer" zegt m'n vriend met de
snorren", maar dan verder smoel houwe", en hij trekt me bij
zich en krauwt me onder mijn strot, daar ben ik namelijk gek op en
rillend van verrukking houd ik verder mijn mond ......
De
tonen van de reveille roepen me langzaam weer terug uit het land der
dromen, ik rek me eens uit en spring met frisse tegenzin mijn nest
uit. Een blik uit het poortje overtuigt mij er van dat we reeds de
Hardangerfjord binnen zijn gevaren want ik zie vrij dichtbij steile
berg- wanden met besneeuwde toppen. Ik werk vlug mijn ontbijt naar
binnen en begeef me aan dek om mee te helpen bij het jassen.
Als
ik bovenkom blijf ik evenwel verbaasd staan, want ik zie achteruit een
man in burger, met een kist, een krukje en een handvol penselen. Daar
moet ik het mijne van hebben" denk ik, „Toch wel erg als ik als
shd II niet meer weet wat er op mijn schip loos is". Ik voeg de
daad bij het woord en trippel naar de man toe, hij stelt zich voor als
scheepskunstschilder, „maar noem me maar Macbrush want zo noemt
iedereen me, dus mijn echte naam doet er toch niets toe" voegt
hij er aan toe. Nieuwsgierig kijk ik wat hij aan het wrochten is.
Een
schaduw valt over het doek, ik kijk om en ontwaar een aantal
officieren, waaronder de chef wijntoko, die evenals ik het werk
bewonderen. „Wat moet dat nu voorstellen Macbrush?" vraagt er
een.
„Een
autoongeluk" antwoordt de wijnchef. „Toch wel grappig om als
kunstschilder een reisje aan
boord van één
Harer.Majesteits schepen mede te maken “denk ik,
„Je bent tenminste niet verstoken van opbouwende kritiek".
„Zonder gekheid Macbrush, wat moet het
voor- stellen?" vraagt een derde. Macbrush bekijkt zijn
oeuvre eens en zegt onverstoorbaar, „dat is in dit stadium nog
moeilijk te zeggen, ik zal het na de middagborrel nog eens bekijken en
dan zal ik het er wel met mezelf over eens worden".
Intussen
zijn we een zijarm van de grote Hardangerfjord ingevaren en nu wordt
het pas opwindend. De zijarm is heel nauw en de wanden van de fjord
zijn minstens 500 meter hoog zodat er slechts een vrij smalle strook
licht boven ons zichtbaar is, verderop wordt alles langzamerhand in
een blauwige waas gehuld waardoor het eind niet is te zien en hier en
daar steekt de zon schuins een paar zonnestralen in het fjord. Het is
werkelijk een fantastisch gezicht en ik begrijp nu pas goed het
ontstaan van de verhalen over trollen, gnomen en berggoden Tegen het
eind van de middag bereiken we Odda, dat aan het uiteinde van deze
fjord ligt. Een paar uur later ligt het smaldeel als een stelletje
speelgoedscheepjes tussen de geweldige rotsmassa's aan weerszijden.
Het
gezellige gedoe dat altijd plaats heeft bij aankomst in een plaats,
neemt een aanvang. Sloepen snorren af en aan, commandanten komen aan
boord voor het houden .van een bespreking, de burgemeester van Odda
komt op tegenbezoek, passagiers gaan van boord, etc.
De
volgende dag ga ik met een maat de wal op om een autobustocht te maken
met het oogmerk mijn ethnologische en grafische kennis te verrijken.
Ik moet zeggen dat het hier werkelijk iets te betekenen heeft, wanneer
je buschauffeur bent. De wegen zijn ijselijk smal en vol met bochten
en kronkels, afgewisseld door nauwe bruggen en tunnels.
Het spannendste gedeelte is wel even voorbij Norheimsund, op de weg
naar Bergen, die over de bergen loopt en niet meer langs het fjord. Ik
heb me een plaatsje veroverd in een levens- grote bus en zit aan de
kant waar de ravijnen zijn. De weg is precies even breed als de bus,
rechts is er een rotswand die loodrecht omhoog gaat en links, waar ik
uit man raampje kijk, zie ik eerst een hele tijd niets en daarna een
paar honderd meter beneden me een klein bergstroompje dat over grote
rotsblokken naar beneden buitelt.
De
linkerkant van de weg is niet eens te zien daar die net onder de rand
van de buscaros- serie verdwijnt, dit alles belet de chauffeur niet om
met een behoorlijke vaart te rijden en door de bochten te zwieren,
waardoor we wat naar buiten overhangen; ik vind het niet zo leuk en
voel telkens prikjes in mijn nek. Tegenover me zit een oude Noor, die
in gebroken Engels een verhaal houdt tegen mijn metgezel: „Een Frans
echtpaartje was hier op de huwelijksreis met hun autootje. De
bruidegom was herhaaldelijk gewaarschuwd dat de weg erg moeilijk is
speciaal bij de „Bruidssluier", dat is de naam van, de waterval
waar we zo langs komen; daar buigt de weg scherp naar rechts, er staan
maar een paar lage paaltjes aan de buitenbocht en daarachter gaat het
250 meter naar beneden. Het stroompje vormt daar een prachtige water-
val die vanwege haar
uiterliik
de „Bruidssluier" wordt genoemd. Dit echtpaartje nu
werd al een paar dagen vermist, toen een buschauffeur toevallig een
autowiel in de diepte ontwaarde. Men is op onderzoek gegaan en het
eerste wat men van het verpletterde bruidspaar vond was háár
bruidsbouquet dat aan de voet van de „Bruidssluier" lag.
„Vind je dat niet merkwaardig?" zo besluit de Noor met een
grijns zijn verhaal. Ja wat ontzettend grappig" zucht ik en kijk
weer eens in de diepte naast mij.
Op
hetzelfde moment gebeurt er iets dat me het bloed in de aderen doet
stollen; we zijn bij de bewuste bocht aangekomen en plotseling komt er
een levensgrote bus van de andere kant om de hoek aansuizen. De
chauffeur staat op de remmen en op twee meter van elkaar houden de
bussen stil. De passagiers kijken onverstoorbaar en de chauffeurs
leunen uit hun raampjes en beginnen een lang gesprek. Ik kijk eens
naar links en zie inderdaad de Bruids- sluier; dat wil zeggen alleen
maar de bovenste honderd meter, de rest is verborgen in een fijne
blauwe nevel van druppeltjes die uit de kloof opstijgt.
De
Noor tegenover me lacht vriendelijk en knikt me bemoedigend toe; Nu
bespreken ze wie vooruit en wie achteruit moet rijden naar de
dichtstbijzijnde passeerplaats" zegt hij. O, is dat alles zucht
ik en hoop van harte dat wij niet achteruit zullen gaan. Mis evenwel,
het pleit is beslecht, de chauffeurs steken hun koppen weer naar
binnen en wij gaan achteruit. Gelukkig bereiken we de passeerplaats
ongedeerd, zodat ik dat na kan vertellen.
's
Avonds om een uur of zeven zijn we weer aan boord, verzadigd van
indrukken. Het is vrij rustig op het schip, een groot gedeelte van de
bemanning is de wal op en zwerft door Odda, al of niet begeleid door
flicka's die hen de weg wezen.
Ik
hoor luid gelach opstijgen uit de longroom en aangezien ik graag
vrolijke mensen om me heen zie, ga ik er heen, steek mijn neus om de
hoek van de deur en kijk naar binnen. Ik loop onmiddellijk in de gaten
en wordt onder luid gejuich in de kring getrokken, ben er gewoonweg
kapot van. De CSML is er in eigen persoon, de commandant die ik nog
nooit in zo'n goede stemming heb gezien, de eerste officier, een groot
deel der officieren en vervolgens de burgemeester van Odda met zijn
secretaresse Ingrid en de hoofdcommissaris van politie
met zijn secretaresse
Eva. Ik word netjes voorgesteld. „What a dading of a
doggie" zegt Ingrid en ze pakt me op en neemt me op schoot
terwijl ze door mijn vacht
kroelt
met haar zachte handen. Lezers u zult me niet geloven als
ik zeg dat de vlammen me uitslaan, bovendien
zie ik ettelijke
heren afgunstig naar me kijken; ik ben gewoonweg het
middelpunt van de belangstelling. Iedereen is in de beste stemming en
er wordt een zeer levendig gesprek gevoerd. Sjonnie de SOV en de
officier van artillerie flankeren Eva en Ingrid die Odda schan-
daaltjes vertellen.
„De burgemeester is
communist" zegt Ingrid.
Maar hij is toch wel geschikt, hij meent het zo echt niet", zegt
Eva, ,ik geloof dat hij het in hoofdzaak doet om eens anders te zijn
dan de anderen". Ik moet zeggen dat de burgemees- ter zich
inderdaad zichtbaar op zijn gemak voelt tussen deze menigte
“kapitalisten".
Tegen
middernacht breekt het gezelschap op, nadat er eerst een heftige
strijd is ontstaan om het bezit van mij. Ingrid wil mij met alle
geweld meenemen, maar gelukkig gaat dit niet door. Trouwens niemand
zou ook met dit geval raad hebben geweten, want nergens staat in een
VKM of Circulaire Zeemacht hoe te handelen bij vermissing van een
scheepshond.
Na
ons korte maar aangename verblijf in Odda volgt er weer een periode
van intensief oefenen, afgewisseld door een viertal dagen in Oslo en
een weekend in een toverachtig mooi fjordenbaaitje, genaamd Arnoy
Flaktaet.
Tijdens
ons verblijf in dat baaitje hebben we schitterend weer, zodat
permissie wordt gegeven tot zwemmen.
Dit
is niet voor dovemansoren gezegd. Al spoedig zie je van alle schepen
op de raarste plaatsen lui in zee duiken, van de bak; van het tentdek,
van een sloepsdavit, zelfs een enkele van het seindek. De flicka's van
de omliggende eilandjes hebben het ook door en alras komen van alle
windstreken kano's aanzetten en wherries, jollen, kortom alles wat
maar drijft op het water. Dat is een kolfje naar de hand van de
marinezwemmers. In no time is het gemengd bad, alle vaartuigjes worden
geenterd om die flicka's die niet kunnen of willen zwemmen voort te
roeien en te vermaken.
Volkomen onverwacht vormt dit laatste weekeind toch nog een waardig
besluit van onze Noorse reis.
Voor
mij gebeurt er trouwens nog iets belangrijks, want een dag voordat we
Tessel aanlopen, word ik bij mijn divisiechef geroepen. Ik klop
bescheiden aan en, treedt binnen. Hij kijkt ernstig. Zit aan zijn
bureautje ,en heeft zijn dienstgezicht aangetrokken. Zo Joseph",
zegt hij, „ga maar eens op de plaats rust zitten' . Ik laat mijn
staart weer hangen en zet mijn derričre op de grond neer.
Mijn
divisiechef heeft mijn conduiteboekje in zijn hand en bladert het
door. „Niet zo kwaad" zegt hij, „je hebt een pof gehad toen
je nog niet zo lang aan boord was en verder is je lijst schoon".
Ik tracht de beoordeling te lezen, alleen het onderste gedeelte kan ik
ontcijferen. Daar staat onder „bijzonderheden"
„Wat
speels van natuur. Lijdt soms aan overmaat van zelfvertrouwen. Is zwak
aan de wal. Wanneer hij goed z'n best doet kan er een bruikbare eerste
klas uit hem groeien"
Ik
vind het raadzaam niet te veel te gluren en kijk mijn divisiechef weer
aan. „Wat zou je er van zeggen als we je maar eens voordroegen voor
eerste klas Joseph?" „Het wordt tijd", denk ik, doch „ik
zou het zeer op prijs stellen meneer" zeg ik. „Nu, dan moet dat
maar eens gebeuren, maar denk erom, wordt nu niet wild, blijf
oppassend en zorg dat bakjes zoals met die politieagent in Den Haag
niet meer voorkomen. Ik knik instemmend en kijk erg glunder.
„Dat is dan afgesproken, ingerukt" zegt de baas.
Ik
zwiep mijn staart omhoog en smeer 'm. Fijnemans, binnenkort beklim ik
dus de tweede sport van de marine-ladder.
|