Airraid-Warning-Yellow.
Blijkbaar had de nieuwkomer weinig animo om
al meteen op het patrouilleterrein van start
te gaan, of het moet geweest zijn dat men
nog niet geheel op elkaar was ingespeeld. Op
de heenreis immers was maar weinig
gelegenheid geweest om te oefenen met andere
schepen. Feit is, dat het ruim vijf weken
duurde voordat de DubDis haar eerste
zeemijlen naar de westkust van Korea
aflegde. Pas op 19 november werd Yokosuka
verlaten en voer het schip via de Inland Sea
en de Straat van Simon de Zij... , pardon,
Shimonoseki, naar Sasebo om eerst olie te
laden. Daarna werd het schip verhaald naar
de boei, waarna de commandant van boord ging
en aan boord van het m.s. Tyne de
instructies in ontvangst nam.
Op maandag 30 november kwam HMNZS Kaniere
over stuurboord langszij afmeren en ramde
bij deze manoevre een stut van
oerlikonbordes 3. Gelukkig was deze schade
snel gerepareerd.
Op 1 december werd opnieuw zee gekozen met
bestemming Kure, waar op het feest van
Sinterklaas ietwat moeilijk werd afgemeerd
en een schip van de Thaise Navy lichtelijk
werd geraakt. Dit incidentje had echter een
nogal komisch vervolg. 's Avonds op de wal
raakten namelijk enkele schepelingen
betrokken bij een vechtpartij. Prompt
moesten ze de volgende morgen bij de
commandant op parade komen. Hierbij ontspon
zich met een van de schepelingen het
volgende gesprek:
" Jongeman, waarom heb je dat gedaan?
Je weet toch dat je hiermee de Nederlandse
vlag door hetslijk haalt! Ik vind dit een
ernstig vergrijp".
"Commandant, dat kwam zo", begon
de in de houding staande schepeling,
"die gasten begonnen te schelden en
zeiden dat u niet kon varen en dat pikte ik
niet, zodat ik ze van katoen heb
gegeven"!
"Goed zo", aldus de commandant,
"dan heb je uitstekend gehandeld!
Hiermee is de zaak afgedaan en doe ik het
rapport hiermee af. Je kunt gaan!"
De overige aanwezigen konden hun lachen maar
met moeite onderorukken, want ze waren op de
hoogte van de staat van dienst van
betrokkene die ronduit stond te liegen, maar
zich desondanks knap uit de situatie had
gered.
Intussen was het schip weer naar Yokosuka
vertrokken, waar nu op 17 december de
bestemming definitief werd: de westkust van
Korea voor de eerste patrouille. Nog wat
onwennig ging het ranke fregat in de morgen
van maandag 21 december voor anker bij
Paengyong Do en konden van HMGS Iroquois de
bescheiden worden overgenomen, waarmee Hr.Ms. Dubois operationeel werd als
Commander Task Unit 95.1.5. Als een vreemde
eend in de bijt lag het schip op de
"spijker" scherp uitkijk houdend
naar eventuele ongeregeldheden. ledere
vreemde beweging was verdacht en werd
nauwlettend gade geslagen of gecontroleerd.
Maar alles went snel totdat men, enigszins
volgegeten van de kerstmaaltijd, een dag
later de bevers in de knieën kreeg.
Het is zondag 27 december, de tijd 10.08uur,
de eerste slok hete koffie wordt voorzichtig
geproefd.
"Ring..., ring..., ring..." Zeer
nadrukkelijk klinkt het geluid van de
alarmschellen door het schip en iedereen
vliegt naar z'n post.
"Airraid-warning-yellow"!
"White" betekent: niets aan de
hand, alles veilig.
"Yellow" betekent: attentie, er
dreigt gevaar!
"Red" betekent: direct gevaar!
In een mum van tijd waren alle posten bezet
en even later kwam er een vijandelijke Mig
laag over scheren. Hij deed niks, maar toch...
Het waren van die plaagstootjes om je uit je
tent te lokken. Gelukkig liet hij zich niet
meer zien, waarop het sein "white"
werd gegeven en het dagelijkse leven aan
boord weer overging in een harmonieuze rust.
Overigens haalden de Amerikanen soms ook
dergelijke grapjes uit zonder vooraf te
waarschuwen, zodat de commandant dan
pisnijdig werd en de verdere dag niet te
genieten was.
De volgende dag ging het anker op en werd
koers gezet naar Sasebo om er de
jaarwisseling te vieren. Passagieren was er
om de een of andere reden niet bij. Dat zat
sommigen niet lekker, hetgeen reden was om
in de longroom verhaal te halen, doch met
enig geestrijk vocht werden de bezwaren
weggespoeld.
Op zondag 3 januari 1954 verliet het schip
Sasebo en al oefenende werd opgestoomd naar
Yokosuka.
Op maandag 25 januari was het de bedoeling
om weer naar Korea te gaan, maar pech
achtervolgde het schip. Varend in de Straat
Shimonoseki op woensdag de 27ste, werd om
10.40uur in de stuurkamer plotseling een
klap gevoeld, gevolgd door een schurend
geluid, waarna onmiddellijk werd gestopt. Om
het geluid te kunnen lokaliseren, werden
afwisselend met bakboord- en
stuurboordsschroef enige omwentelingen
gemaakt, waarbij werd vastgesteld dat het
euvel zich aan bakboordsschroef bevond.
Besloten werd voor anker te gaan en duikers
de zaak te laten inspecteren. Om 14.30uur
was het onderzoek beëindigd en kwam men tot
de constatering dat van de bakboordsschroef
twee bladen ernstig waren beschadigd. Er zat
niets anders op dan voor reparatie naar Kure
te gaan. Toen het schip eenmaal in het dok
droog stond, ontdekte men ook, dat de kimkie
lover een flink aantal meters was losgerukt.
De vennoedelijke oorzaak is waarschijnlijk
een onderwater drijvende boomstam geweest.
Deze noopte het schip tot 7 februari op
non-actief te blijven.
Alsnog werd nu naar Yong Pyong Do gegaan
voor een korte patrouille, waarvan op
woensdag 17 februari in Sasebo werd
teruggekeerd. Het enige voorval tijdens deze
korte trip was de acute blindedarmontsteking
van een der opvarenden, die per M-boat en
helikopter naar het militaire hospitaal in
Inchon werd vervoerd, waar hij met succes
werd geopereerd. Een ander incident betrof
de scheepshond van de Gouden Bal die, na
driemaal de kajuit van de commandant te
hebben bevuild, met groot verlof werd
gestuurd op Yong pyong Do.
Tijdens de derde patrouille werd eerst op 22
februari een bezoek aan Pusan gebracht,
waarbij een afvaardiging inclusief gewapende
wacht een krans legde op het United Nations
Cemetry te Tanggok, bij onze gevallen
landgenoten. Reeds de volgende morgen
ontmeerde het fregat om door te stomen naar
de vaste ankerpositie nabij Yong Pyong Do.
Na in Yokosuka een periode van alle prettige
dingen des levens te hebben genoten, was Hr.Ms. Dubois op 18 maart weer terug op het
patrouilleterrein. Op de 24ste kwam het
bericht binnen dat een Skyraider in zee was
gestort. In samenwerking met HMCS Haida,
HMNZS Pukaki en een schip van de ROK-Navy
Duman, werd begonnen aan een zogeheten
"Expanded Square Search", een
uitgebreide zoekactie. Maar midden in de
nacht moest even worden gestopt vanwege een
brand in de schoorsteen. Deze was binnen
tien minuten geblust en het zoeken ging
verder. Om half negen ontdekte men een
vleugeltank van het vliegtuig, waarop een
sloep werd gestreken en een '"Tank Fuel
Jettison Eternal Model F-86" aan boord
werd genomen. In de loop van de middag
werden nog vier van dergelijke tanks
opgevist. Om tien uur werd terloops nog een
verdacht vissersvaartuig aangehouden en
ondervraagd, maar dit kon zijn weg verder
vervolgen. Met de resten van het
verongelukte vliegtuig aan boord werd het
commando van CTU 95.1.6 overgedragen aan de
Pukaki, waarop de Dubois naar Sasebo ging.
Op zaterdag 24 april 1954, liggend in Kure,
nam de bemanning van de Dubois tijdens een
Alle Hens afscheid van een graag gezien
bemanningslid, namelijk de dominee. Hij werd
vervangen door een vlootaalmoezenier, die
net zo getapt was en behoorlijk in de pul
viel, temeer daar hij altijd in was voor een
pijpje bier en een knobbeltje gooien, iets
dat hij bijna altijd verloor. Van deze
gelegenheid werd tevens gebruik gemaakt om
een groepsfoto van de gehele bemanning te
maken.
Tijdens een van de stops in Kure maakten ook
de opvarenden van de Dubois een uitstapje
naar Miya Jima. Omdat er op dit heilige
eiland geen autoverkeer was, liet een
sergeant zich bij gebrek aan een taxi, onder
grote hilariteit in een kinderwagen
vervoeren.
Behalve Miya Jima, werd op vrijdag 7 mei ook
nog een recreatieve trip gehouden met het
Commonwealth-base vaartuig Lady Shirley naar
het eilandje Setoda in de Inland Sea voor
een bezoek aan de Konsan-Ji-tempel. Het
bleek dat aan boord van de Lady Shirley de
bar alom 10.00uur 's ochtends open ging,
hetgeen enerzijds hogelijk werd gewaardeerd.
Anderzijds had dat echter tot gevolg dat het
bezoek aan de tempel enigszins lodderig werd
ervaren.
Na deze ontspannende voorvallen volgde een
oefenreis van drie weken met HMAS Murchison
en HMNZS Pukaki, waaronder
luchtafweeroefeningen op een target-drome,
dieptebommen op de onderzeeboot USS Diodon
en een nachtelijke zoekactie met
lichtgranaten in de Gele Zee. Daarbij bleek
dat de eerste de beste granaat die de Dubois
op de Murchison afvuurde geen lichtgranaat,
maar een scherpe was die gelukkig hoog
overvloog.
Half juni, toen het schip weer eens ten
anker lag op haar eigen stekkie bij Paeng
Yong Do, gebeurde het dat op een zonnige
middag, toen iedereen de botten liet bruinen
en het zilte nat indook, een aantal prauwen
kwam aangetuft dat niet de vereiste
herkenningsseinen voerde. Vanaf de brug werd
het bevel gegeven tot bijdraaien en stoppen,
hetgeen door een der scheepjes werd
genegeerd. Dat leverde een riedel voor de
boeg op met de 20mm oerlikon mitrailleur.
Terwijl de bemanningsleden bewapend met
mitrailleurs aan dek stonden, naderde een
der prauwen het schip en kwam langszij. Nu
bleek dat het Zuidkoreanen waren, afkomstig
van een in de buurt gelegen eilandjes. Zij
waren al geruime tijd van bevoorrading
verstoken gebleven en zochten nu hongerig de
vaste wal op. Na dit incidentje werd het
anker ingedraaid en voor de tweede maal naar
Pusan gekoerst voor een kort verblijf.
Op 30 juni was het andermaal -airraid-warning-yellow" , maar het
alarm was slechts van korte duur, waarna op
7 juli de Koreaanse kust werd velaten voor
een tiendaagse rustpauze in Hong Kong.
Onder prachtige weersomstandigheden werd op
de eerste wacht van maandag 12 juli van
naamsein gewisseld en rendez-vous gemaakt
met het m.s. Adrashuo van de Blue Funnel
Line. De machines werden gestopt en de sloep
te water gelaten om acht Nationalistische
Chinezen van de koopvaarder over te nemen en
aan boord te brengen. Het bleken vissers te
zijn van het schip President Jih Chun No.2,
met als thuishaven Formosa. Zij hadden hun
in nood verkerende schip moeten verlaten en
waren door de Adrashuo opgepikt. Toen bleek
weer eens hoeveel dialecten de Chinese taal
kent, want de drie Chinese wasbazen die op
de Dubois werkten, konden hen met geen
mogelijkheid verstaan.
Toen het fregat op 15 juli in Hong Kong
arriveerde, werden de vissers in Kowloon van
boord gezet en aan de autoriteiten
overgedragen.
Een dag voor aankomst in Hong Kong gebeurde
er een klein ongelukje aan boord, toen een
zware gasfles omviel en precies op het topje
van de pink van een der machinsten terecht
kwam. Op dat moment voelde de man nog geen
pijn, pakte een lucifer, prikte het kootje
eraan, hield het omhoog en
riep: "Wie lust er nog saté?"
Later verdween zijn opgewekte stemming, want
hij moest toch voor behandeling naar het
ziekenhuis, waar hij overigens een fijne
tijd doonnaakte.
Die had de rest van de bemanning trouwens
ook, want als een goede lezer behoort u
reeds voldoende op de hoogte te zijn waartoe
de Nederlandse Kolonie hier in staat was.
Het werd dan ook wederom een grandioze
belevenis met als hoogtepunt een strandfeest
als afscheid. Alles wat eetbaar
en vooral drinkbaar was, stond uitgestald,
en na afloop was er nog maar weinig over.
Onder het gezang van oud-Hollandse
krijgsliederen werden de restjes verzameld.
Die compositie klonk wel niet zo mooi, maar
was in de verre omtrek te horen. En dat was
ook de bedoeling!
Nog éénmaal ging de Dubois terug naar het
patrouilleterrein aan de westkust van Korea,
waar zij in totaal negen maal was geweest.
Daar werd het schip op zondag 15 augustus
afgelost door HMAS Shoalhaven. waarna men
via Kure naar Yokosuka terugkeerde om de
komst van een ander Nederlands fregat af te
wachten. Op 9 september 1954 werd Hr.Ms.
Dubais in Yokosuka namelijk afgelost door Hr.Ms. Van
Zijll. Reeds de volgende dag werd
begonnen aan een moeizame thuisreis.
De eerste haven was Manilla, dat via een
omweg met veel vertraging werd bereikt. Het
Fleet Weather Centre in Yokosuka had
namelijk gewaarschuwd voor de tyfoon June,
die met rasse schreden naderde en de zee
hoog opstuwde, zodat het schip heftig tekeer
ging. Een onverwachte zware stortzee rukte
aan bakboord een reddingsvlot onder de brug
uit haar sjorrings, waarbij de bakboordsdeur
naar de bak werd ontzet en het vlot
overboord ging. Het centrum van de tyfoon
bevond zich op ongeveer 300 mijl van het
schip. De volgende dag werd het rustiger en
kon de vaart weer worden opgevoerd. De koers
werd herzien en met een volle dag vertraging
werd de haven van Manilla binnengelopen.
Via Singapore, Colombo Pyraeus en Valencia,
arriveerde Hr.Ms. Dubois op 2 november 1954
weer in de thuishaven Den Helder.
|
|