Na de aanval van Japan op de Amerikaanse vloot
in Pearl Harbour op 7 december 1941, was de Japanse opmars door
Zuid-Oost-Azie onstuitbaar. De geallieerde zeestrijdkrachten
leverden een moeizame strijd tegen de Japanners en werden steeds
weer het slachtoffer van luchtaanvallen. Hong Kong, de Filippijnen,
Malakka en Singapore waren inmiddels in Japanse handen en in januari
1942 was het toenmalig Nederlands-Indië aan de beurt.
In deze periode is kortstondig een gezamenlijk commando onder
leiding van de Amerikaanse luitenant-admiraal Th.C. Hart opgericht,
met daarin 2 Amerikaanse, Britse, Australische en Nederlandse
eenheden om de strijd tegen de Japanners te coördineren.
Deze samenwerking verliep moeizaam en de vlootoperaties werden
gehinderd door het ontbreken van adequate luchtsteun.
Hoewel de Combined Chiefs of Staff te Washington besloten
hadden "to defend Java to the last by all combatant troops then in
the island", werd het gezamenlijk ABDACOM op 25 februari 1942
opgeheven.
Hieruit kan worden afgeleid dat het Amerikaanse opperbevel de
mogelijkheid om de Japanse opmars te stuiten somber inzag.
De Nederlanders waren geïrriteerd over het gebrek aan
medezeggenschap in de bevelvoering en voelden zich door hun
bondgenoten in de steek gelaten.
Niettemin kon schout-bij-nacht Doorman eind februari 1942 een
relatief groot vlootverband op zee brengen, bestaande uit twee zware
kruisers, drie lichte kruisers (waaronder het vlaggenschip Hr.Ms.
De Ruyter en Hr.Ms. Java) en negen torpedobootjagers.
De vijandelijke invasievloot onder commando van schout-bij-nacht T.
Takagi bevond zich in de ochtend van 26 februari 1942 ten zuiden van
Borneo. Deze schepen werden begeleid door de zware kruisers Nachi
en Haguro, de lichte kruisers Naka en
Jintsu, en veertien torpedobootjagers.
Hoewel de twee eskaders numeriek aan elkaar gewaagd waren, sloeg de
balans op veel gebieden door in het voordeel van de Japanners. De
inlichtingen waarover Doorman beschikte, waren bijvoorbeeld
onvolledig en achterhaald; hij kon nagenoeg geen
verkenningsvliegtuigen uitsturen. Zijn bemanningen waren
oververmoeid.
De Nederlandse eskadercommandant merkte in verband met het laatste
op: “uithoudingsvermogen personeel heden aan de grens en morgen
zeker overschreden”.
De Slag in de Javazee bracht voor het eerst sinds het uitbreken
van de oorlog met Japan een confrontatie met zich mee tussen twee
smaldelen. Het geallieerde eskader was op 27 februari kort voor
15.00 uur vanuit Surabaya vertrokken, om de Japanse invasievloot te
onderscheppen.
Het sein “All Ships Follow Me” betekende het begin van een
felle slag. Nog geen half uur na vertrek bombardeerden de eerste
Japanse vliegtuigen het verband. Geen van de schepen werd geraakt.
De op dat moment aangevraagde luchtsteun kreeg Doorman niet, omdat
deze werd ingezet als escorte voor bommenwerpers die de Japanse
invasievloot moesten aanvallen.
Na ruim een uur maakte de Britse torpedobootjager HMS Electra
contact met de vijandelijke vloot, die het vuur opende.
De zware kruisers HMS Exeter en USS Houston, die op dat
moment de Japanse vloot binnen vuurbereik hadden, beantwoordden deze
aanval. Vervolgens bereidden Japanse torpedobootjagers en de kruiser
Jintsu een aanval met torpedo’s voor.
Schout-bij-nacht Doorman probeerde intussen te voorkomen dat de
Japanse eenheden het geallieerde verband zouden opsplitsen en liet
koers wijzigen. Ondanks het gevaar van een torpedo aanval probeerde
hij bovendien dichter bij de vijand te komen, om zo ook zijn
lichtere kruisers in te kunnen zetten bij het artillerieduel.
Het regelmatig koers wijzigen van Doorman was succesvol. Tussen half
vijf en vijf uur hadden de Japanners tevergeefs 43 torpedo’s
gelanceerd.
Twee uur na vertrek was de situatie voor het geallieerde eskader,
afgezien van enige lichte granaatschade, nog altijd redelijk te
noemen.
Niet lang hierna werd HMS Exeter echter getroffen en
moest USS Houston na een treffer vaart minderen.
Dit laatste veroorzaakte verwarring bij de overige geallieerde
kruisers.
Een tweede treffer op de Exeter stelde zes van haar
acht ketels buiten gebruik.
Doorman raakte hiermee één van zijn zwaarste eenheden kwijt, en zijn
enige schip dat uitgerust was met een radar.
Vervolgens werd de torpedobootjager Hr.Ms. Kortenaer
getorpedeerd die in tweeën brak en zonk.
Kort daarna ging ook HMS Electra in een gevecht tegen
Japanse jagers ten onder.
Doorman trok zich naar het zuiden terug.
Hr.Ms. Witte de With escorteerde HMS Exeter naar Surabaya.
Na zonsondergang trachtte Doorman de Japanse oorlogsschepen te
omzeilen en de invasievloot, waarvan Doorman vermoedde dat deze zich
achter de Japanse kruisers bevond, aan te vallen.
Wederom volgde echter een (kort) treffen met de strijdmacht van
Takagi, waarbij Hr.Ms. De Ruyter en USS Houston
werden geraakt.
Een half uur voor middernacht, in een pandemonium van een met
zoeklichten en lichtkogels beschenen hemel, werden zowel Hr.Ms.
De Ruyter als Hr.Ms. Java tot zinken gebracht.
De resterende schepen van de Combined Striking Force hebben
zich uiteindelijk terugtrokken naar Batavia en Surabaya
Al met al hadden de gevechten in de Javazee de Japanse invasie
slechts met één dag kunnen vertragen.
De zeeslag zelf kostte ruim 1.000 Nederlandse, Indische en andere
geallieerde marinemannen het leven, terwijl de bemanningsleden die
het overleefden drieënhalf jaar ontberingen in Japanse
krijgsgevangenenkampen te wachten stond.
Bron: Ministerie van Defensie - maart 2006
De posities van de wrakken van de Ruyter, Java
en Kortenaer zijn reeds lange tijd bekend.
Telkens als een schip van de Koninklijke Marine in het gebied
opereert waar de Slag zich afspeelde, worden de gesneuvelde
Nederlandse en Indonesische marinemannen met kransen herdacht.
Helaas zijn de posities van de scheepswrakken wijd en zijd bekend en
biedt het ondiepe water van de Javazee onvoldoende bescherming tegen
duikers, die weinig respect blijken te hebben voor de gevallenen en
het zeemansgraf schenden.
Zo werden in 2004 vier scheepsbellen van Hr.Ms. De Ruyter en Hr.Ms.
Java gestolen uit de zeemansgraven en vervolgens te koop aangeboden.
Gelukkig zijn deze bellen inmiddels weer in handen van de
Koninklijke Marine
Door toedoen van de heer Henk Visser werden de bellen aangekocht,
volledig schoongemaakt, geconserveerd en vervolgens door hem in 2005
overgedragen aan de Koninklijke Marine.
Drie van de scheepsbellen hebben prominente plaatsen in Nederland
gekregen.
Eén van de scheepsbellen wordt tentoongesteld in het Marinemuseum in
Den Helder.
Eén scheepsbel is geplaatst in de hal van het Commandementsgebouw
“De Admiraliteit”
Den Helder.
Eén scheepsbel is uitgeleend aan de Kloosterkerk in Den Haag.
De vierde scheepsbel is teruggebracht naar Surabaja en geplaatst bij
het Karel Doorman-monument.
 |
Ereveld Kembang Kuning
met het Karel Doormanmonument
|
 |
Het is de bel die door de Vereniging Onze
Vloot bij de eerste indienstelling in 1925 aan Hr.Ms. Java is
uitgereikt. Als randschrift staat op de bel:
“Elke aanslag zy een beroep op uwe trouw aan het vaderland” .
Deze scheepsbel ging met het schip en haar
bemanning ten onder, terwijl zij trouw aan het vaderland hun plicht
deden.