VAN
MIJNENVEGEN GESPROKEN
Geen levens vernietigen, maar behouden
K.d.W. wapenbroeders'47
Gedeelde gevaren kweken kameraadschap.
Het is gek, maar het kost soms de meeste moeite om mensen aan het praten te krijgen over
dátgene, wat hen het naaste aan het hart ligt. Dit zijn de bescheidenen, die ongaarne
spreken over hetgeen hun in het leven de hoogste voldoening schonk ....
Voldoening moet het mijnenvegen, waarin hij gedurende den oorlog een belangrijk aandeel
nam, de Luitenant ter Zee der 1ste klasse P. v n Willigen stellig in ruime mate hebben
gegeven.
De gedachte, aldus bij te dragen tot het behouden van mensenlevens in plaats van
tot vernietiging daarvan, was hem een aansporing tot volhouden, waar anderen dit
gevaarlijke en zenuwsloopende werk na verloop van tijd moesten opgeven. In dit jarenlang
volhouden, in volmaakte toewijding aan de hem opgedragen dienende taak en met
terzijdestelling van het eigen "ik" ligt een zelfover- winning, die wellicht de
schoonste beloning is voor de man, die eens het bevel voerde over veertig Geallieerde
mijnenvegers.
Wij waren er op voorbereid, dat het deksels moeilijk zou zijn hierover iets te weten te
komen.
Dus wachtten wij een geschikt ogenblik af, wanneer de omstandigheden zouden.
meewerken om den Eersten Officier van Hr. Ms. "Banckert" mededeelzaam te
stemmen.
Twee rottan stoelen op de campagne, de benen op de verschansing, 'n goede sigaar waarvan
de brandende punt gezellig vonkte In het duister van den maanloozen avond, de weldadige
rust na een dag van vele beslommeringen, kortom, alle gunstige factoren waren aanwezig, om
ons slachtoffer niet reeds bij voorbaat "volle kracht achteruit te doen slaan".
"Wat wil je nu eigenlijk weten van de mijnenvegers, wat er niet reeds lang van
verteld is?", was het weinig bemoedigende antwoord op ons verzoek, iets omtrent
zijn oorlogservaringen te mogen vernemen.
Noot:
Het werk van de mijnenvegers valt weinig op, doordat het in verhouding tot dat der meeste
andere oorlogsschepen niet spectaculair is. Deze schepen zijn in elke zeemacht de stille
werkers, die hun gevaarvolle opdrachten onopgemerkt verrichten: de bezige bijen der Marine
......
"Wat wij nu graag van U zouden willen hooren, is geen heldenverhaal, waartoe U zich
trouwens niet zou lenen, maar de eenvoudige, onopgesmukte werkelijkheid. Wat wij willen
weten, is hetgeen er in deze mannen omgaat: de simpele gevoelens van doodgewone mensen,
die ,hun schip en zichzelf inzetten om langs veilige zeeroutes en door mijnenvrije wateren
de scheepvaart weer mogelijk te maken."
-"Goed dan, als het je daarom te doen is, wil ik je wel wat vertellen", gaf
Luitenant ter Zee Van Willigen zich gewonnen.
"Wat ik altijd bijzonder plezierig heb gevonden", aldus stak hij van wal, is,
dat ik in al die jaren nooit heb gemerkt, dat iemand van mijn mensen huiverig werd voor de
gevaren, die nu eenmaal aan het mijnenvegen zijn verbonden. Dit is te meer opmerkelijk,
waar de bemanningen meerendeels bestonden uit Oorlogsvrijwilligers zonder ervaring, die
echter diep doordrongen waren van het besef, dat van hun volhouden de veiligheid van de
convooien en het succes van de gezamenlijke oorlogsinspanning afhing. Dit klinkt
natuurlijk wel mooi, maar het valt om den drommel niet mee het in praktijk te brengen,.
wanneer de omstandigheden noodzaken tot werken beneden de zogenaamde veilige diepte.
Met het oog op het gevaar van magnetische mijnen waren onze schepen wel van hout gebouwd,
maar de machines veroorzaakten toch altijd een magnetisch veld, zodat op geringer diepte
dan zeven vaam het werk bijzonder risico meebracht.
Het is inde praktijk dan ook wenselijk gebleken om het personeel op gezette tijden te doen
aflossen, aangezien de voortdurende zenuwspanning waaraan de mensen zijn blootgesteld, op
den duur te hooge eisen stelt aan hun psychische toestand en dientengevolge terugslag
heeft op de physieke gesteldheid".
"Wat denken de jongens er doorgaans zelf van ? "
"Zij tonen een enorm enthousiasme voor de goede zaak en vinden een grote persoonlijke
voldoe- ning in het bereikte resultaat. Wat mij steeds weer opnieuw trof, was het intense
medeleven van de bemanningen met de operaties zelf. Daar komt nog iets bij: het
gemeenschappelijke gevaar legt een sterke vriendschapsband, die nergens wordt overtroffen.
Deze kameraadschap heeft bewezen in moeilijke omstandigheden van grote waarde te
zijn!"
"Waar heeft de oorlog uzelf alzo gebracht?"
In 1941 hebben wij defensieve versperringen gelegd, onder meer voor Balikpapan. Hierbij
hadden wij met de moeilijkheid te kampen, dat ten gevolge van zware grondzeeën vele
mijnen los sloegen. Hoe korter namelijk de staaldraad is waarmee de mijn is verankerd, hoe
meer zij trilt en tenslotte breekt. In verband hiermede moest het gehele veld worden
geveegd en, na van steviger materiaal te zijn voorzien, opnieuw worden gelegd.
Van de zeventig mijnen, die werden geveegd, zijn er maar drie geploft. De zevenenzestig
overige kregen wij heelhuids aan de wal en konden opnieuw worden gelegd. Er bestond een
groot tekort aan mijnen, zodat we er heel zuinig mee moesten omspringen.
Voor het Westervaarwater te Soerabaja zijn nog vijfentwintig vijandelijke mijnen geveegd,
die daar omstreeks 7 December 1941 door een Japansche onderzeeboot waren gelegd.
Als commandant van de Jan van Amstel zou ik samen met de Pieter de Bitter in begin
Februari 1942 , de "Van Lansberghe"' van de K.P.M. van Soerabaja naar Makassar
convooieren, om daar aanwezige vrouwen en kinderen te evacueren. Zover is het echter nooit
gekomen, want op den heenweg werden wij door Japanse vliegtuigen aangevallen, waarbij de
"Van Lansberghe" tot zinken werd gebracht en de Jan van Amstel ernstig werd beschadigd. Ik zelf werd gewond zodat ik enige weken in het hospitaal heb gelegen. Kort
voor de inval van de Jappen vertrok ik met Hr. Ms. Onderzeeboot "K-9" onder
commando van Luitenant ter Zee Brunsing naar Australië.
Met het motorschip "Ruys" ging ik vervolgens door het Panama-kanaal naar
Engeland, waar ik een opleiding volgde voor het vegen van magnetische en accoustische
mijnen. Aanvankelijk gebruikten we trawlers, totdat wij nieuwe mijnenvegers kregen.
Harwich was onze basis. Wij hadden twee flottieltjes onder bevel van Kapitein ter Zee
Logger, wiens senior officier ik was.
Na de bevrijding van België werd ik verbonden aan den Staf van Admiraal Dickens te
Brussel, een kleinzoon van den schrijver. Toen ook Nederland bevrijd was, werd ik te
IJmuiden geplaatst in verband met de oprichting van een nieuwe Mijnenveegdienst.
Daarna heb ik een flottielje mijnenvegers naar Indië gebracht.
"Onder zeer moeilijke omstandigheden, bij stormweer in de Golf van Biscaye. Wij
herinneren ons, dat U daarvoor de Orde van Oranje-Nassau kreeg.
"Wij zouden het over mijnenvegen hebben, is het niet?", riposteert Luitenant ter
Zee Van Willigen droog. In Indië zijn door deze scheepjes heel wat vierkante mijlen
mijnenveld opgeruimd", vervolgt hij zijn verhaal: Makassar, Oostervaarwater van
Soerabaia, Bima, Waingapoe, Tomohon, Kolaka, Boeton, Kendari, Sorong, Babo, Samarinda,
Balikpapan ........
"Waarom ligt het werk nu stil?"
Gebrek aan reserve-onderdelen en reparatiemogelijkheid op het Marine Etablissement te
Soerabaja zijn oorzaak, dat het vegen tijdelijk is gestaakt.
Mijnenvegen is niet altijd zenuwsloopend, aldus besluit Luitenant ter Zee Van Willigen
zijn belangwekkende uiteenzetting. Soms is het werk vermoeiend en geestdodend, wanneer men
werkt in een gebied waar geen mijnen zijn. Me dan ooit is juist dán voorzichtigheid
geboden, omdat men geneigd is de gebruiklijke voorzorgsmaatregelen te verwaarlozen en
roekeloos te worden.
Het werk van de mijnenvegers gebeurd onopvallend en in stilte. Wat die jongens dag-in,
dag-uit doen, is voor den wederopbouw van dit land nochtans zeer belanrijk.
|