|
"Verloren
Vliegers" in Australisch binnenland. Deel: 1
Onder deze titel een spannend vervolgverhaal in 3
delen.
Handelend over de Dakotabemanning van de M. L. D. die op 25 Maart 1947 in het
binnenland van Australie een noodlanding moesten verrichten.
Aan de families van officier vlieger Van Niftrik, sergeant Ronde, telegrafist. van
Rhoon,
sergeant-mecano Brard en van de drie passagiers, officier zeewaarnemer
Yzendoorn, sergeant
Houwniet en matroos Barnard was reeds bericht gezonden, dat zij op het ergste moesten zijn
voorbereid.
De 25ste Maart, om 6 uur 's morgens waren zij met een Dakota
van de M.L.D. uit Sydney vertrokken. Charleville was op de normale wijze aangedaan;
Cloncurry zat dicht met slecht weer; daarom werd een tussenlanding gemaakt te Longreach,
waar de tanks vol benzine werden gegooid, met de bedoeling om in een ruk van 6 ½ uur naar
Port Darwin te vliegen.
Twee en een half uur na het vertrek uit Longreach werd het
laatste bericht van de Nederlandse Dakota ontvangen; daarna zweeg het toestel en zweeg ook
de woestijn, waarboven een zware regenbewolking hing.
Wat was er van deze mensen terecht gekomen?
Zou er ooit, in de eindeloze woestenijen van Centraal en Noord Australië een spoor
van hen zijn te ontdekken?
Tegenover me zit Van Niftrik, een tengere, donkere man, van misschien even dertig jaar.
Een half uur geleden kwam hij, zo uit Australië, de eetzaal van de M.L.D. te Soerabaja
binnenlopen, met lange, rechte passen. Het ongeluk met de Dakota is reeds meer dan een
maand geleden en het is tenslotte, wat de mensen betreft, goed afgelopen.
"He, daar heb je Van Niftrik", zeiden er een paar.
En Van Niftrik, hier en daar groetende, kroop in een hoek en at zijn maal. Sommigen
kwamen hem de hand drukken, maar in het geheel genomen kan ik toch niet zeggen, dat de
terugkeer .van deze vermiste vogel in het nest veel opwinding veroorzaakte.
Vliegers zijn merkwaardige mensen; ze leven in andere proporties, geloof ik, dan gewone
stervelingen. Als ze er op het kantje af het leven afbrengen, vindt ieder dat normaal. Als
het niet gebeurt, weet ik niet,. hoe ze reageren; ik denk, dat er dan ook weinig gepraat
wordt.
Maar ik wilde het mijne ervan hebben. "Kunt U mij vertellen, wat U daar in de
wildernis hebt meegemaakt?", vroeg ik. .,Ja, dat kan" zei hij , "maar het
wordt een heel verhaal".
Zoo zijn we tegenover elkaar komen te zitten, ik met een blocnote hij met zijn pijp, een
voorwerp, wat ik hem gedurende het gehele gesprek niet heb zien loslaten tenzij wanneer
hij me even een situatie moest tekenen.
En toen kwam het; het relaas van de noodlanding, die slaagde,
dank zij bekwaamheid en geluk en van een barre tocht door de wildernis waar tevoren geen
andere mensen zullen zijn geweest. Nauwkeurlg vertelt hij me de details; zelden ontving ik
een zo duidelijk beeld van belevenissen, zo duidelijk, dat ik me enige malen beklemd
afvroeg: "Zouden ze het er levend afbrengen?" Maar nee; het is geen fantasie;
het is een verhaal en de .hoofdpersoon van dit levensavontuur zit tegenover me. Laat hem
dus zelf spreken:
De noodlanding.
"We hadden, na het vertrek uit Longreach, ongeveer 3 uur blind gevlogen door regen en
wolken, toen ik een radio-peiling wilde nemen en merkte, dat het apparaat weigerde.
Ik probeerde verbinding met een grondstation te krijgen, maar kwam tot de ontdekking, dat
ook dat niet lukte. Het was duidelijk, dat het hele electrische systeem moest zijn
uitgevallen. Ik riep Brard, de mecaniciën en legde hem de situatie uit; hij ging ijlings
aan het zoeken, waar de fout zat. Zonder radio-kompas en zonder zicht waren wij hulpeloos.
Het enige, wat er op zat, was doorvliegen, in de ,hoop, dat hetzij het mankement te
verhelpen zou zijn, hetzij voor zonsondergang het weer zou opklaren, zodat we zicht kregen
en een landing konden maken.
Maar de uren verstreken en mijn radio bleef weigeren. Ik
wist, dat het gebied van slecht weer om Cloncurry niet onbeperkt van afmeting was; we
hadden dus kans er doorheen te komen, maar aangezien men mij geen windgegevens had kunnen
verstrekken, kon ik slechts bij benadering binnen een straal van 60 mijl mijn positie
schatten.
Een half uur voor zonsondergang kwam er enig grondzicht; ik daalde tot 600 meter en
probeerde me te oriënteren. Maar het was hopeloos; we waren nu in het Noorden van
Australië en vlogen boven een tropisch bebost terrein. Ik wist, dat er .van Port Darwin
naar het Zuidelijk gelegen Catherine een spoorweg loopt van 400 mijl; Port Darwin kon ik
niet meer halen; ik ging dus in Westelijke richting vliegen in de hoop deze spoorlijn te
zullen kruisen, waardoor ik georiënteerd zou zijn en in de buurt van enig menselijk
verkeer.
Doch geen spoorlijn kwam in zicht. Tien minuten voor donkerzag ik eindelijk een open
plekje in de bossen; ook daar stonden nog bomen, maar het was te proberen.. Ik riep de
mensen bij elkaar en deelde hen mede, dat ik een kleine veldlanding zou pogen te maken op
het open terreindeel; het noodluik werd losgemaakt en de deur opengegooid; ik gaf alle
mensen opdracht zich achter in het toestel te begeven.
Hangend aan de motoren kwamen we naar beneden; het werd een
buiklanding, waarbij dus het landingsgestel ingetrokken bleef. Eerst kwamen we op de
staart neer, daarna op het voorwiel; we schoten tussen de bomen door, waarbij stukken van
de vleugels afbraken. Het uitstekende gedeelte van het landingsgestel maakte sporen van
ongeveer een halve meter in de grond, die zeer drassig was; dit was een geluk, want het
staartwiel raakte bij een wending in een van die sporen en dit had een uitermate remmende
werking; de propellers vlogen van het toestel, een scheurde de rechterkant van de romp
open, maar we kwamen tot stilstand en ...bleven allen ongedeerd."
Mijn zegsman besteedde verder weinig tijd aan het beschrijven
van de spanning, welke de opvarenden in deze momenten hadden doorgemaakt. Hij zal er
misschien zelf weinig van gemerkt hebben, want in hem moet elke zenuw erop zijn ingesteld,
om de gok te doen gelukken.
Enfin, zij was gelukt, weliswaar met verspeling van het toestel, maar zeven mensenlevens
zaten behouden op een klein stukje grond ergens in de wildernis van Noord Australië.
Voor hem was deze landing zeker niet de grootste belevenis geweest; daaraanvolgend begon
het avontuur pas, dat de grootste krachtsinspanning vergde.
"We begonnen natuurlijk met onze noodradio in werking te stellen; op de vleugel
zittend, moesten allen om de beurt draaien en ik heb voor de nacht wachten.ingesteld. De
overigen begaven zich in het vliegtuig om wat te slapen.
Het belangrijkste was om te weten, waar we ons bevonden. De volgende morgen heb ik dus met
mijn sextant enige zonnetjes geschoten en als gevolg daarvan had ik tegen de middag
uitgemaakt, dat onze positie was: 13 gr. 45 min. Z.br. en 132 gr. 40 min. 0.1.; d.w.z. 70
mijl ten N. O. van de dichtst bijzijnde plaats Katherine en 150 mijl van Port Darwin; de
spoorweg waren we nog niet gepasseerd.
De vraag was nu, wat te doen? De gewoonte is, dat de bemanning in een geval als het onze
bij het vliegtuig blijft. Ik besloot echter in een andere richting. Daarvoor golden voor
namelijk twee overwegingen: in de eerste plaats hadden we zeer weinig voedsel aan boord;
in de tweede plaats had ik vier uur gevlogen zonder mijn positie op te geven en ik moest
dus aannemen, dat men, ons vermissende, zou beginnen te zoeken in het gebied, waar men het
laatst iets van ons gehoord had, d.w.z. zeer ver van de plaats, waar we werkelijk zaten.
We bevonden ons bovendien ver buiten de normale route, in een
onoverzichtelijk, tropisch bebost terrein. Om naar de bewoonde wereld te gaan lopen,.moest
uitgesloten geacht worden, daarvoor was het veel te moerassig.. Maar ik kreeg een ander
idee; ik besloot te gaan varen. Vlak bij de, plaats, waar we waren neergekomen stroomde
een beek; de snelheid was vrij groot Ik maakte daaruit en uit de aard van het omliggende
terrein op, dat we ons in het stroomgebied van een rivier bevonden. Dit klopte met de
gegevens van een kaartje, dat ik bij me had en met datgene, wat ik me herinnerde van de
paar keer, die ik er vroeger overheen was gevlogen.
Australië bezit slechts weinig rivieren en ze hebben. alleen in de regentijd enige
omvang. VoIgens mijn berekening, moest ik me bevinden in. het stroomgebied van de
Katherine-rivier die vanuit het N. O. op het stadje Katheríne toeloopt, het eerste
gedeelte door een vlak gebied, daarna door een bergketen brekende en tenslotte in de
vlakte bij Katherine uitmondende.
Van de zeven opvarenden van ons toestel konden er drie niet zwemmen; hen zou ik in ieder
geval bij het vliegtuig achterlaten. Ik beschikte over twee opvouwbare rubberboten; in
ieder daarvan zou twee man plaats nemen, plus een hond. Ik heb n.l. nog niet verteld, dat
we ook twee honden aan boord hadden.
Ik zelf had in Australië voor een vriend een mooie pointer gekocht, een rashond, die me
12 pond kostte; een van de anderen had een echte kamponggladakker bij zich.. U zult uit
het vervolg van het verhaal zien, dat je in onze omstandigheden maar beter van eenvoudige
afkomst kunt zijn.
We besloten de volgende morgen vroeg te vertrekken; we verdeelden de levensmiddelen,
hetgeen betekende, dat wij met zijn vieren de beschikking zouden hebben over 30
sinaasappelen en twee blikjes melk. Ik maakte me geen illusies, dat ik de hele reis, die
in rechte lijn ongeveer 70 mijl bedroeg, geheel per boot zou kunnen afleggen. De bergen
zouden we ongetwijfeld te voet moeten passeren, maar het leek me de beste kans om de
bewoonde wereld te bereiken en ook voor de achter gebleven kameraden hulp te verkrijgen.
Einde 1e deel.
Bron: "Ik zal hanhaven" mei-juni 1947 april 2000
George J.Visser (IMH)
|