|
43 AAT
op Nieuw Guinea
Nieuw
Guinea. In 1512 ontdekt door de Portugezen en ruim 30 jaar
later ook nog eens door de Spanjaarden. Maar uiteindelijk
werd het in 1714 Nederlands bezit.
Er werd toen echter nog maar weinig aandacht aan
geschonken, aan dit land van
Koppensnellers en menseneters.
Bij
tijden werd er een expeditie naar toe gestuurd voor puur
wetenschappelijke doeleinde. Pas met het uit breken van de
tweede Wereldoorlog kwam dit grondgebied weer onder de
aandacht omdat de Japanners Nederlands Indië en Nieuw
Guinea veroverden.
Op Nieuw Guinea werd
hevige strijd geleverd.
Er werden zware
verliezen geleden aan zowel de geallieerden als Japanse
zijden.
Pas in 1945, met de overgave van Japan, kreeg Nederland
weer het gezag terug over Nederlands Indië en Nieuw
Guinea.
Soekarno, die kort daarna op 17 Augustus 1945 de
Indonesische onafhankelijkheid uitriep, vestigde daarbij
ook een blik op Nieuw Guinea. Maar Nederland hield Nieuw
Guinea terdege onder eigen gezag.
Er werden plannen beraamd
om ook Nederlandse strijdkrachten naar Nieuw Guinea te
sturen. November 1949 besloot de Ministerraad om het
bataljon 434 RI, dat
zich op Sumatra bevond, over te plaatsen naar Hollandia.
Ter ondersteuning van dat bataljon werd ook een peloton
van 43 AAT aangewezen om 434 RI transportondersteuning te
verlenen.
Uiteindelijk kwam dit prachtige land op 31 december 1962,
na fel verzet van Nederlandse troepen, toch in handen van
Indonesië.
Flip Lelie, destijds
korporaal bij dit AAT peloton, blikt nog eens terug in
zijn herinnering en legde dit vast in onderstaand verhaal.
Een mooie zomerse dag in
1949.Het is 17 augustus en vijf uur in de morgen.
De sergeant van de week komt met veel kabaal over de
kamers.
Ik zie hem nog steeds voor me, die lange van de Brink.
Hij was één van diegenen die ons de militaire opleiding
had gegeven op de Generaal de Bondskazerne in Grave. Nu
schreeuwde hij voor het laats tegen ons.
We gingen ons onder luid
protest wassen en aankleden, de kater van de vorige avond
nog in ons hoofd. Er was behoorlijk gezopen, maar ja wat
wil je.
“Wij gingen naar Indië”. Vele waren ons voorgegaan
naar het land waar onze voorvaderen hun voetstappen hadden
liggen en zoiets moet “gevierd worden”.
Er was zelfs een sobat bij, die nu al heimwee had en we
waren nog niet eens weg uit Holland.
Veel gegeten werd er die
dag niet. Er waren sobats die nog vlug even een briefje
naar huis schreven. Ook werd er veel gekankerd, maar dat
is de Hollander eigen, ze menen het niet altijd zo.
Met de trein zijn we naar Rotterdam vervoerd, om
vervolgens aan boord te gaan van het M.S.Zuiderkruis. Een
militaire kapel speelde het Wilhelmus.
Bijna alle jongens verdrongen zich aan de railing, om nog
een laatste glimp op te vangen van familie en vrienden die
massaal naar Rotterdam waren gekomen om hun geliefden te
zien vertrekken en hen uit te zwaaien tot de boot uit
zicht was.
We voeren door het Nauw van
Calais en kwamen terecht in de Golf van Biskaye, dat was
een nogal rumoerig watertje en al heel spoedig kwamen de
eerste jongens weer aan dek, om de vissen te voeren. Want
de meeste waren nu al zeeziek. Het slapen, vier boven
elkaar, in een smal met zeildoek bespannen krib van zo’n
60 cm breed en een even grote afstand tot degene die boven
je lag, viel niet mee met die ruwe zee. In de Middellandse
zee aangekomen, stonden we aan de railing, turende over
het water en in gedachten verzonken, denkend aan thuis.
Hoelang zal het duren voor wij hen weerzien?
Zou alles wel goed verlopen
in dat verre vreemde land? Ik kan me nog herinneren hoe we
Port Said binnenliepen. In de morgen kwamen we daar aan.
Talloze kleine bootjes met koopwaar kwamen langszij om hun
handel aan de man te brengen: sigaretten kleedjes en
gouden ringen.
De ringen bleken naderhand van koper te zijn, goudkoper
dus!
In zekere zin was dit de eerste kennismaking met het
oosten, mede omdat het daar al zo warm was.
Sparren
In de rode zee aangekomen,
deden de eerste tekenen van verbrandingsverschijnselen
zich voor.
Daar werd ook een begin gemaakt met sparren, d.w.z. met
boksen, dus niet elkaar verrot slaan, maar echt met
bokshandschoenen. Toen we de evenaar passeerden kwam
Neptunus, “God van de zee”, we werden nat gespoten met
de brandspuit. Als je geluk had dan werd je gedoopt in een
grote kuip en ondergedompeld, maar had je dat niet, dan
werd er een ei op je hoofd stukgeslagen, tot groot vermaak
van de opvarenden. Via de Indische Oceaan kwamen we aan op
Java. Dat was in de haven van Tandjong Priok, waar we
werden verwelkomd door een Militaire Kapel.
Daarna op de vrachtwagen
geladen en hup daar gingen we naar de kazerne Tanah Tinggi,
in het midden van Batavia. Ik herinner me nog het voor de
eerste keer opzetten van het tampatje en dan die klamboe
er over, want muskieten zaten er, “banjak”.
Dan waren er allemaal
nieuwe indrukken die we moesten verwerken.
En dan die hitte het zweet liep met stralen van je lichaam.
Dat Maleis wat we geleerd hadden stelde ook niet veel voor.
Weet je nog: Rotti is brood, Matti is Dood, Dapoer is
Keuken en mek-mek is …………!!. Waren woorden waar we
niet veel moeite mee hadden. De voorlichtingsfilm dan. Je
werd gewezen op dingen die je kon ontlopen, als je
eventueel met een vrouw naar bed ging. Ook was het een
hele belevenis toen we voor de eerste keer naar Pasar
Senen gingen, de typische luchtjes die daar hingen. Ook
het loven en bieden “tarwarren” als je iets wilde
kopen. Als je er nu aan terug denk, moest je in een korte
tijd veel verwerken en aan allerlei nieuwe dingen wennen.
Bedjaks
Maar het was werken
geblazen! In een korte tijd zo snel mogelijk moesten we
ons rijbewijs halen. In verband met het linkse verkeer,
maar dat viel heus niet mee, vooral als je omstreeks
twaalf uur in het hartje van de stad rijdt. Dat is, als je
dat nog nooit hebt meegemaakt, gewoon onbeschrijfelijk.
Bedjaks en die Opeletten, tot de nok afgeladen met mensen
en alle mogelijke voorwerpen.
Hoe heerlijk kon je daar gaan eten voor weinig geld.
Nadien ben ik vaak wezen Chinezen, maar zoals daar, nee zo
heb ik het nooit meer gegeten.
Nasi hier of daar, dat is een heel verschil. Saté voor
satoe ringit, dan had je toch wel wat anders dan hier. Die
dingen vergeet je niet.
In bad
Hier nog een kleine
anekdote, mijn slapie, de “Bolle”, had vergeten tegen
zijn baboe te zeggen dat er geen tapioca in zijn pakkian
deftig moest. Met als gevolg dat toen ze in de loop van de
middag het pak terugbracht, je het zo tegen de muur kon
plaatsen, zo stijf het was.
Dat had natuurlijk weer tot gevolg dat de Bolle geweldig
liep te schelden en te vloeken. Het begrip ”in bad”
bestond niet meer.
Er werd gemandied. Een groot olievat met een kraan erboven
die constant openstond. Je nam je mandieblikje mee en
daarmee plensde je, je nat, zeepte je in en spoelde je
weer af.
En dan de toiletten. Ook
iets heel apart, een gat in de grond en twee voetstappen
in het beton, waar je moest gaan staan. Maar van tevoren
moest je een blik water meenemen om als je klaar was, over
je achterste te gieten en met je hand de rest schoon te
maken. Dit laatste was wel nodig voor de hygiëne.
Het eten en drinken in de
kazerne waren vrij goed. Het slapen liet nog al eens te
wensen over, maar dat kwam door de warmte. En dan die
vreemde geluiden, die je ’s nachts hoorde. Laten raakte
je daaraan wel gewend.
Berooid
We zijn inmiddels weer een
paar maanden verder en hebben ons rijbewijs gehaald, dus
nu vol goede moed het drukke verkeer van Batavia in.
We hebben in die tijd vele malen de in Indië woonachtige
Nederlanders burgers en Indische Nederlanders helpen
verhuizen.
Slechts de noodzakelijkste
bezittingen namen zij mee en veel van het meubilair lieten
ze inpakken voor vervoer naar Nederland of, in afwachting
van betere tijden, opslaan in een Goedang. Velen
vertrokken echter zonder iets mee te nemen en kwamen
berooid in Nederland aan om daar een nieuw leven te
beginnen Ook talloze repatriërende militairen die hun
tijd er op hadden zitten hebben wij naar de boot gereden.
Ondertussen hadden we ook opdrachten van andere aard en de
eerste daarvan
was een konvooi naar Bandoeng.
Bochten
Ga nu even rustig zitten,
we laten ons meedrijven in onze droom. Ik weet
het nog zeer goed, ik was colonne commandant en op
mijn oude B.S.A. moest ik jullie door de bergen loodsen en
zorgen dat niemand achterbleef. Via Buitenzorg, met zijn
prachtige plantentuin en het Paleis(je) waar de gouverneur
zijn vakantieverblijf had, de Puntjak – Pass, Tjimahi en
het kalkgebergte kwamen we uiteindelijk in Bandoeng aan,
na precies 162`bochten en haarspeldbochten, ik heb ze
allemaal geteld.
Ook heb ik nog een poosje
rijles gegeven aan een stelletje officieren, dat was leuk
werk in mijn oude jeep. Maar dat goede leven was ook zo
weer afgelopen, omdat ik op de weg de Betjaks met de
“kont” van de wagen de berm liet opzoeken.
De heren officieren vonden
dat wel een beetje te ruig. Maar wat moest je, die
driewiel trappers dachten dat ze de hele weg allen hadden
en als je claxonneerde gingen ze geen steek opzij. Nu nog
een anekdote van mijn collega. Zijn verhaal:”Ik kreeg
bezoek van een vriend, die al enkele maanden in de rimboe
had gezeten en een beetje was verwilderd. ’s Avonds
zouden we gaan chinezen. Wij er naar toe, flink gegeten en
de fles ook knap leeggemaakt. Toen we zouden weggaan wilde
die vriend even afrekenen. Hij zei toen:”Als ik ja zeg,
dan ga je lopen!’Hij zei ‘ja’, en sloeg gelijk alle
bierflessen van de tafel en nam ook een partij lampen mee.
Ik kan jullie wel vertellen, dat ik nog nooit zo hard
gelopen heb en ik ben met zulk volk dus nooit meer uit
eten gegaan”. Aldus mijn collega.
Uitverkoren
Op een zekere morgen moest
het hele B peloton aantreden en luitenant Provoost deelde
ons mee dat dit peloton was uitverkoren om naar Nieuw
Guinea te gaan en de rest van onze diensttijd vol te maken.
We kregen 35 gloednieuwe Marmon Herrington’s, een Power
wagon, een Jeep en 6 BSA motoren.
Alles moest nog ingereden
worden, maar daar ontbrak de tijd voor. Dat hele partijtje
voertuigen moesten we zelf maar aan boord zetten van een
landingsvaartuig de LST4. Dat was een uit de strijd tegen
de Japanners overgebleven landingsboot, die voor het
laatst voer onder Nederlandse vlag want daarna zou hij
worden overgedragen aan de Indonesiërs
Dit inschepen ging nog al
goed. Naast alle voertuigen kwam er benedendeks ook een
forse lading munitie aan boord. En tenslotte ook een
aantal KNIL militairen met hun gezinnen. Deze mensen
hadden niet eens een goede slaapplaats, sommigen moesten
onder auto’s slapen op het dek.
Noodrantsoenen
De overtocht was ook voor
ons echter minder rooskleurig en wat nu komt is waar
gebeurd! We waren al enkele dagen op zee en door de
deining van dit kleine gammele vaartuig op de golven waren
al verscheidene jongens ziek.
Bij nader onderzoek bleek
dat zij niet alleen zeeziek waren, maar ook vergingen van
de honger, want we leefden al enkelen dagen op Amerikaanse
noodrantsoenen. Brackfest, Midaysnaks en Supper.Randsoenen
waarvan de houdbaarheidsdatum al ver overschreden was.
De blikjes dateerden uit
1942 en stonden bol van ellende. Bijvoorbeeld een zakje
met limonadepoeder moest je met een hamer tot pulp slaan
omdat dit totaal was versteend. Sigaretten (vijf per dag)
stonken muf als een vochtige kelder. Maar ook al het
andere voer was niet meer te eten.
Soms kregen we van de
bemanning wat brood, hoewel die ook niet erg scheutig
waren. Uiteindelijk bleek dat voor ons geen eten aan boord
was. Toen heb ik maar wat brood gestolen voor de zieken
kameraden.
Muiterij
Plotseling was er een
bespreking onder de manschappen van het peloton.
Ze wilde mij er in
eerste instantie niet bij hebben, maar ik ben toch
gebleven. Wat er besproken werd op die vergadering?
Wel, het lag in de
bedoeling als het ’s avonds rustig was om naar de
kapitein te gaan om voedsel te eisen. Dit werd ter
ondersteuning dan ook met wapens in de hand gedaan. Boven
gekomen zat de hele staf heerlijk zich zat te zuipen.
De kapitein vloog overeind
en schreeuwde “Dit is muiterij”, We hebben hem gezegd
dat hij zich kalm moest houden, dan zou er niets gebeuren.
Wij hebben hem toen dringend verzocht om te telegraferen
naar Ambon en daar te vragen om eten voor ons. Na een
beetje morren werd toch aan onze eisen voldaan, waarna we
weer ordelijk het ruim in doken naar onze zieke
collega’s.
Twee dagen nadien werd het
eiland Ambon aangedaan. Dat was een hele belevenis, we
kregen daar rijst en zeer veel fruit, zoals Pisang,
Mango’s en nog veel meer. De bevolking van Ambon was
zeer gastvrij voor ons en nog steeds ben ik ze daar
dankbaar voor. Want als we geen eten hadden gekregen dan
geloof ik wel dat er iets aan boord was uitgebroken. Iets
dat niet meer te herstellen was geweest. Onze luit was
boos op mij, en vroeg hoe ik zoiets kon doen?
Het zou wel eens krijgsraad kunnen worden en dan moesten
mijn strepen er af.
Ik heb toen geantwoord: ”Je doet maar wat je nodig vind”.
Hollandia
Het wachtlopen aan boord
was ’s nachts een spannend avontuur.
Buiten het feit dat overal mensen lagen te slapen, was het
benedendeks een hels kabaal. De achterloos opgestapelde
kisten met munitie tegen de wanden van het vaartuig
bonkten en kraakten en de torsie beweging van de LST op de
kracht van de golven gaf een krijsend geluid alsof er
twintig metalendeuren tegelijk op verroeste scharnieren
draaiden.
Maar het meest spannende was het water, dat met grote
kracht bij iedere golfslag door de laaddeuren naar binnen
werd geperst en langzaam met de deining van de boot weer
naar buiten spoelde.
Het was vlak voor Kerstmis
met een temperatuur van 35 graden in de schaduw toen Nieuw
Guinea in zicht kwam.
Op eerste Kerstdag 1949, ’s morgens om 7 uur landde de
LST4 op de kust van Nieuw Guinea.
Op het strand van Hollandia stond een zekere kapitein Keyl
van het KNIL, die ons toeriep:”Het Kerstmaal met
krentenbrood staat klaar’’.
Dat kerstmaal moeten we overigens nog steeds krijgen, maar
wat in het vat zit verzuurt immers niet, zegt men.
Eerst moest de LST gelost
worden. Het vaartuig was te zwaar geladen om met de
voorplecht volledig het strand op te komen. Er bleef een
hiaat van een paar meter tussen strand en schip.
Met kunst en vliegwerk werd een soort dam aangebracht om
passagiers en materiaal aan land te krijgen. Naarmate er
meer voertuigen naar buiten kwamen, werd het steeds
problematischer om het strand te bereiken. De gloednieuwe
wagens zakten tot net onder de assen weg in het natte zand
en werden daarin vastgezogen. Ondanks
de vierwielaandrijving en de hoge en lage giering, moesten
de laatste wagens met de lier uit het water getrokken
worden.
Inrijden
Toen we waren ontscheept en
onze spullen in een Quansethut hadden gebracht was rusten
er nog niet bij. We moesten direct gaan rijden want onze
wagen waren nog niet ingereden en dan kan je uiteindelijk
de bergen niet in die voor 90% deel uitmaakten van ons
werkgebied.
Op een vlakke weg van nog geen 5 km lengte moesten we de
wagens inrijden.
Talloze keren op en neer en deze wegen waren niet zonder
kuilen en gaten.
Gewoon een verschrikking.
Tweede Kerstdag werden we
al vroeg gewekt, want er moest een KPM schip gelost
worden.’s Middags mochten we even rusten, want dan was
het niet te doen met die hitte.
Ik heb eerder het woord
‘’Quanset’’ laten vallen dat moet u dus zien als
onze permanente woning. Een uit golfplaten opgebouwde
halfronde loods die nog stamde uit de tijd dat de
Amerikanen daar verbleven. U kunt van mij aannemen dat het
daarbinnen heet was, De temperatuur steeg overdag soms ver
boven de 40 graden Celsius. Veel jongen kregen last van
ringworm, dat kwam door de vele transpiratie.
Maar ‘doc’ Everts had
daar een goed middel tegen: salicyl spiritus, en dan maar
waaien met een handdoek of een deksel van een doos. Je
hele kruis leek wel af te branden. Achter deze barakken
stroomde een kali met heerlijk fris water. Dat vingen wij
op met oude pijpen en zo hadden wij een douche. Dat water
kwam zo clean uit de bergen.
Staken
Over de eerste Kerstdag heb
ik het al gehad. De Kerstsfeer was echter ver te zoeken.
Vele hadden het daar moeilijk mee. Een Kerst zonder sneeuw.
Als je op bed lag liep het zweet met stralen van je af.
Ook het eten was zeer
eenzijdig en berenslecht, in de eerste tijd droge
scheepsbeschuit en soms kregen we warm eten, d.w.z.
kankoeng met gestoofde aardappels en haring in tomatensaus
De kankoeng kan je het beste vergelijken met uit de
kluiten gewassen klaver van de Hollandse weidegronden.
De aardappels waren net als
nu de chips, en ook dat stamde nog uit de Amerikaanse
periode. Het geheel smaakte dus niet zo daverend meer, dat
kan U zich wel voorstellen.
Dat was ook de reden dat met het resultaat van de actie op
de LST4 nog in het achterhoofd, ook nu weer om verbetering
vaan de voedselvoorziening werd gevraagd. Na weer een
maaltijd die niet te verteren was, waren we het snel met
elkaar eens. ‘’Die middag zou er niet gereden worden’’.
De wagens bleven dus keurig in gelid op de parkeerplaats
staan en het hele peloton bleef op hun tampatjes liggen.
Onze luit informeerde wat
er aan de hand was en na de reden vernomen te hebben,
sommeerde hij ons om toch maar te gaan rijden, maar dat
had geen effect. Wel kregen hij ons zover dat wij buiten
aantraden.
Hongerige
Daar kregen wij het bevel
van de kazernecommandant, de KNIL kapitein Keyl om
onmiddellijk te gaan rijden omdat dit dienstweigering was
in oorlogstijd en hij iedereen voor de krijgsraad zou
brengen, met alle gevolgen van dien.
Ieder werd apart onder handen genomen en driemaal werd het
bevel gegeven om te gaan rijden. Sommigen bezweken onder
de druk. Maar anderen hielden zich kranig en bleven bij
hun eis om beter voedsel. Ik kreeg de gelegenheid om met
deze weigeraars te praten en uiteindelijk lukte het me om
iedereen weer achter het stuur te krijgen. Dit op mijn
belofte om iets voor ze te ondernemen.
Ik ben toen naar de kok
gegaan en heb blikken erwten en bruine bonensoep warm
laten maken die ik de hongerige op de kade van Hollandia
Haven ben gaan brengen. De wagen hebben het die dag wel
zwaar te verduren gehad. Het leek of niemand van het
peloton een rijbewijs had.
Er werd gekraakt, geslipt
en in een veel te hoog toerental de diensten van de motor
afgedwongen. Natuurlijk heb ik nadien op mijn donder gehad
van onze luit, maar dat was allemaal maar bijzaak. Jullie
reden weer en dat was de hoofdzaak. Kort daarna is er toch
behoorlijk verandering in gekomen, want zo kon het niet
langer. Wij hadden goed eten nodig en dat is er gekomen.
Berggebied
We zijn uiteindelijk toch
zover gekomen met inrijden dat we de bergen in mochten met
de wagens.
Inmiddels was ook het
bataljon 434 RI gearriveerd waar ons peloton aan was
toegevoegd. Het werd een drukke tijd. Er moesten vaak
manschappen gereden worden die op patrouille moesten of
werden ingezet om met beperkte hulpmiddelen wegen
enigszins begaanbaar te maken
Er moest aan de kade in
Hollandia Haven barang gelost worden die met KPM schepen
werd aangevoerd. Dit werd dan weer vervoerd naar diverse
particulieren en toko’s die op deze wijze hun
handelswaar ontvingen. Ook de diverse militaire posten
dienden bevoorraad te worden.
De eerste keren gingen we
in colonneverband naar Ifar, een plaatsje hoog gelegen in
het berggebied. Een klim die veelal in z’n eerste
versnelling moest worden genomen, waarbij ook de
vierwielaandrijving en hoge giering moesten worden
ingeschakeld.
Lier
In de beginperiode was dat
al een zeer slechte weg, die totaal niet was onderhouden.
Later werd het nog slechter, dat was in de regentijd, toen
veranderde deze weg in een kleine kali’s waar kolkende
beekjes naar beneden een weg zochten en die soms hele
weggedeelten wegsloegen. Er was geen repareren aan, maar
het transport over deze weg moest doorgaan.
Met behulp van de lier van
de Power Dodge werden vastgelopen wagens en dan dwars
doorheen getrokken, zodat ze verderop op eigen kracht weer
verder konden, Maar dan waren we nog steeds niet in Ifar,
want om daar te komen moesten we eerst de steile hellingen
op.
Als het geregend had dan
was daar praktisch geen beginnen aan. Met een beetje
lading moest je soms op bepaalde gedeelten achteruitrijden
naar boven omdat in de eerste versnelling te weinig
motorvermogen werd geleverd.
Je was uren onderweg over een afstand van z’n 40
kilometer. Menig vrachtwagen is daar dan ook naar beneden
gestort.
Het kwam eens een keer voor,
dat een wagen van boven kwam met iemand naast de
chauffeur, war verboden was. Die sergeant van het andere
onderdeel, die het zo nodig had gevonden naast de
chauffeur te gaan zitten, trok op het verkeerde moment aan
de handrem. Dat had hij niet moeten doen, want normaal
gesproken was de wagen ongedeerd beneden gekomen. Nu
stortte hij naar beneden met alle persoonlijke en
materiele schade van dien.
Gebeurtenis
Nu ik daar aan terugdenk
weet ik nog dat luitenant Provoost mij opdracht gaf dat
zaakje even te ‘’regelen’’, omdat de chauffeur
niet meer bij machte was dat zelf te doen. Toen ik daar te
plaatse was, heb ik meteen de chauffeur achter het stuur
van een andere wagen gezet, wat hij eerst niet eens wilde.
Hij moest met een ander er naast, maar zorgen dat hij in
het kamp kwam. Door deze aanpak is die jongen nog over doe
gebeurtenis heen gekomen.
En als ik de zaak even
terug draai: die sergeant wilde niet achter op die wagen,
want dan moest hij tussen die ‘zwarte hap’’, dat
waren dus Papoea soldaten en mensen van het KNIL.
Deze man heeft het nadien wel op zijn brood gekregen.
Zelf werd ik toen
gedetacheerd op het Ginneken. Dat was een boerderij
halfweg Ifar, waar varkens en koeien gefokt en gemest
werden. Daar moest ik inkopen doen zoals: groenten,
pisangs, en papaja’s. Dat was een heel mooi leventje en
ik moest ook nog ordonnansdiensten verrichten voor ons
peloton.
Later kreeg ik gezelschap
van Jan v/d Laan ook een van onze mensen. Die knaap was
zeer handig en kon goed prutsen. Hij was in staat om van
twee oude generatoren die we uit de rimboe gesleept hadden,
één goeie te maken zodat we op Ginneken ook stroom
hadden.
Later heeft hij ook nog een baby bulldozer helemaal
opgeknapt zodat we grond konden verzetten
Op deze boerderij was ook
nog een Hollands gezin, de familie Entrop. Die mensen
waren uit Java gekomen, waar ze het in de oorlog zeer
slecht hadden. Ze hadden namelijk alle twee in een
Jappenkamp gezeten. Daar hoef verder geen commentaar bij.
Dit waren hele fijne mensen. Zij hadden twee kinderen die
ook in een kamp gezeten hadden.Van deze familie heb ik
heel veel geleerd over het leven in de rimboe en over zijn
flora en fauna.
Niwinkist
We waren nu al weer enkelen
maanden op Nieuw Guinea en er was totaal geen ontspanning
voor de manschappen, maar er moest wel stevig worden
doorgereden want er was van alles te vervoeren. Allen ’s
middags hadden de manen rust, maar dat was noodzakelijk
want dan was het zo heet .35 á 40 graden in de schaduw en
op de kamers was het nog heter.
Ik ben toen naar Ifar
gegaan, naar de welfare en heb daar een Niwinkist
losgekregen. Daar zat onder andere ook een platenspeler
in, je weet wel. Z’n ouderwetse, die je moest opdraaien
en met naalden en vijf grammofoonplaten waren er bij. Als
je ‘s middags na het eten een heerlijk fris bad had
genomen, dan ging je op je tampatje liggen soezen, waarbij
dan iemand de grammofoon opdraaide en het plaatje
draaide’’J’attendrai’’.
Dit plaatje is tot
vervelens toe gedraaid maar je had zeer weinig keus dus je
noest wel steeds hetzelfde nummer draaien. Er was zoveel
animo voor, dat we twee elftallen op de been brachten, de
AAT 1 en de AAT 2. Ook een bestuur werd er gevormd. Ook
bij de andere onderdelen werden nu voetbalelftallen
opgericht en we konden nu in competitieverband.
Voetballen. We hebben ook
nog tegen een Papoea elftal gespeeld. Dat was een show op
zich, die Papoea’s met hun blote voeten op die harde
kalkgrond, want een grasveld was er nog niet.
Gevoetbald werd er in de avonduren, dan was er ook nogal
publiek en er werd ook behoorlijk hard gespeeld. Je moest
wel uitkijken niet te vallen want dan zat je flink onder
de schrammen.
Weggegeven
Maar zo zoetjes aan raakten
we toch goed ingeburgerd en voelden ons steeds meer thuis
in dat mooie grote land. Een prachtig land dat wij
Nederlanders hebben weggegeven onder druk van de VS en tot
groot nadeel van de Papoea’s die onder druk van de
Indonesische overheersing geen rechten meer hebben. Deze
mensen waren namelijk zo ontzettend gastvrij en ook zeer
intelligent en leergierig. Ik ben daar op bruiloften
geweest, in Kampong Hamadie, een kampong op palen in de
rivier monding van de Stille Oceaan.
Ik ben met deze mensen ’s nachts wezen vissen, een mooi
iets als je daar van houdt. En dan dat mooie koraalrif,
met glashelder water en duizenden gekleurde vissen van
diverse grootte. Het was echt schitterend.
Terugreis
Helaas werden wij in
oktober 1950 weer terug geroepen naar ons onderdeel op
Java. De terug reis verliep beter dan de heenreis op die
LST.
Met een vrachtboot van KPM
hebben wij een prima reis gehad langs de kust van Nieuw
Guinea. Ik herinner me nog de ‘’havens’’die we
hebben aangedaan om barang te laden en te lossen.
Allereerst Sarmi, daarna de Geelvinkbaai in naar Seroei op
het eiland Japen waar we gelegenheid kregen om te
passagieren.
Vervolgens weer naar Biak
waar we weer aan land mochten. Dan naar Manokwari en
tenslotte het afscheid van dit voormalig stuk Nederlands
bezit, in Sorong waar we een paar dagen hebben vertoefd.
Tenslotte de oversteek naar
Batavia in Burgerkleding met een Burger paspoort omdat
geen Nederlandse militairen meer werden toegelaten.
Na eerst een verdiende
vakantie te hebben gehouden in Bandoeng, hebben wij de
diensttijd verder vervuld met het naar de boot rijden van
vele sobats die hun diensttijd er op hadden zitten. Ook
verhuizingen van burgers die gerepatrieerd werden vanuit
Batavia, Soekaboemi en Buitenzorg.
Reünie
Tenslotte
de thuisreis. Een deel van de compagnie vertrok op 28
maart 1951 met de ‘’Dorsetshire’’ naar Rotterdam
om precies een maand later daar aan te komen. De rest
volgde een paar dagen later met de ‘’Australia’’
die in Amsterdam arriveerde. Ik herinner me ook nog de
eerste reünie in Garderen
Op 7
April 1979, Wat een belevenis om na ongeveer 28 jaar weer
eens oude dienstmakkers te ontmoeten en terug te duiken in
het verleden.
Sindsdien
bezoek ik dan ook regelmatig de reünies van 43 AAT die
zich steeds weer ontpoppen als een plek waar oude
herinneringen weer een nieuw leven beginnen.
Kpl H.B.J. Lelie
ofwel Flip
Bron: LRC -
Logistiek Reünie Contact
|