“Code Wolk”
De 928e afdeling Lua op Biak tussen oorlog en diplomatie
Lezing door J.J.P. de Jong ter gelegenheid van de reünie van de 928e
afdeling lt lua in Assen op 8 april 2005
Hoe reageer je als negentien, twintig jarige wanneer je hoort dat je
als dienstplichtig militair uit je rustige lokale kazerne naar Azië
moet om daar een vrijwel onbekend brok vaderland te verdedigen?
Totaal verrast. Niet dat we ons in Appingedam niet bewust waren van
het bestaan van een dreiging. Maar die was communistisch.
Europa werd in 1961 geconfronteerd met een van de heetste momenten
van de Koude Oorlog, de crisis rond de bouw van de muur in Berlijn.
Maar juist de 928e afdeling Lichte Luchtdoel Artillerie
in Appingedam bleef volstrekt buiten schot. Wij vormden louter een
territoriale eenheid; voor zover wij wisten zonder operationele
doelstelling. Dat wij een eenheid vormden “geschikt voor speciale
taken” ontdekte ik pas twee weken geleden! In ons geval bleek de
dreiging echter niet Russisch maar Aziatisch te zijn. Onder de vlag
van “operatie Zaltbommel” en met als bestemming “Wolk” werden wij
ineens binnen een paar weken op een migrantenschip gezet met als
bestemming Nederlands Nieuw-Guinea!
Code Wolk
Dat er spanningen waren rond dat laatste brok koloniaal
Nederland, daarvan hadden we ooit wel eens gehoord. In januari 1962
zaten we in de kantine van de Fivelingo-kazerne aan het Damsterdiep
ademloos aan de radio gekluisterd, toen Nederlandse fregatten
Indonesische motortorpedoboten in de Etnabaai in de grond boorden en
verjoegen. Eind maart hoorden we van Indonesische infiltratie-acties
en een maand later landden er zelfs paracommando’s! Negentienjarige
soldaten waren in die tijd meestal apolitiek. Maar in flarden drong
ook bij ons de discussie door die de Nederlandse pers over de
kwestie-Nieuw-Guinea voerde.
Desondanks was “Operatie Zalbommel” een donderslag bij heldere
hemel. Toen het bevel eenmaal was gegeven, ging het verder
razendsnel. Op vrijdag 4 mei 1962 was het zo ver. Om 6 uur in de
ochtend vertrokken we uit Hoek van Holland “met de Waterman die oude
schuit”. 883 man sterk waarvan 265 Lua. Een muziekkapel stond op de
kade. De Zuiderkruis, was ons al voorgegaan en na ons zou de Grote
Beer vertrekken. Wat “Wolk” betekende, werd halverwege de trip
duidelijk. Het bleek om Biak te gaan.
De route die wij volgden, was van een woeste romantiek. Voor de
meesten van ons was het de eerste keer dat zij buiten Europa kwamen.
Het was dan ook de tijd ver voor de communicatierevolutie waardoor
vakanties in verre tropische oorden de gewoonste zaak van de wereld
raakten. Omdat “oom Nasser” (de president van Egypte) ons niet door
het Suez-kanaal liet, was “Wolk”maar op één manier bereikbaar: via
het Panama-kanaal. Daarom liep de tocht langs de Azoren, de
Maagdeneilanden en over Curacao.
Op 16 mei passagierden wij streng begeleid in Willemstad maar toch
niet zo streng dat er na dit bezoek een uitgebreide grendelinspectie
gewenst leek. Intussen volgde een indrukwekkende tocht door het
Panamakanaal met zijn sluizenconstructies en sleeptreintjes en
bovenal een eindeloos lijkende reis over de Stille Oceaan. In de
vroege ochtend van 29 mei bereikten we bij een spectaculaire
zonsopgang Hawaii waar we in de marinebasis Pearl Harbor mochten
passagieren.
Op dinsdag 12 juni voeren we dan eindelijk, geëscorteerd door de
jager de Utrecht, de schitterende Humboldtbaai binnen. We
passagierden in Hollandia (waar wij een peleton achterlieten) en
arriveerden vervolgens een dag later op Biak. We hadden toen meer
dan een maand op zee gezeten! Gymmend, corveeënd, lessend, zonnend,
lezend en ons op andere manieren ontspannend. Sindsdien heb ik een
hekel aan kaarten.
Biak
De eerste weken op het eiland waren vooral dagen van driftig
kwartiermaken en het inrichten van verblijven, magazijnen,
munitievoorraden, geschutsopstellingen en waarnemersposten. Maar ook
van verkenning van de kota, het strand, het koraalrif in Paraii, de
waterbasis in het marinekamp en de lokale bars (de flessenbar!).
Aan boord van de Waterman had de boze buitenwereld verweg geleken.
Al oefenden we met allerlei wapens en werd er driftig aan
vliegtuigherkenning gedaan. Maar nu zaten we midden in de sores. Wat
hing ons boven het hoofd? Er waren wekelijks berichten over nieuwe
Indonesische landingen, over gevechten. Het precieze tijdstip weet
ik niet meer, maar “ergens” eind juli/begin augustus wisselden onze
40 lang 70’s stuivertje met de 7e afdeling LUA.
Het was de periode waarin de stukken van extra munitie werden
voorzien, ook de stafeenheid lichte en zware mitrailleuropstellingen
kreeg toegewezen en de man scherpe munitie uitgereikt. Het was ook
de periode waarin een Indonesische duikboot langs de kust voer,
begeleid door een langzaam cirkelende Neptune.
Uit alles was af te leiden dat er een massale Indonesische aanval
verwacht werd; niet alleen via de lucht maar ook uit zee. Latere
geschiedschrijvers hebben gesteld dat alleen de staf daarvan afwist
en wij soldaten niets. Maar dat is echt onzin!
Het was al met al een rare tijd; een merkwaardige mengeling van
gespannen paraatheid en vakantie. De stafbatterij had het relatief
lichter maar voor de drie gevechtsbatterijen was het twee weken op
en een week af. Maar ineens was het voorbij.
Tussen de militaire acties en gevechten aan de west- en zuidkust
door hadden we wel eens over onderhandelingen gehoord. Als bij
toverslag was er op 15 augustus 1962 het bericht over de
Philips-transistor dat Nederland en Indonesië in New York een
overeenkomst hadden bereikt. Een VN-organisatie, de United Nations
Temporary Authority (UNTEA,) zou per oktober de zaken overnemen.
Er waren er maar weinig die er rauwig om waren. We konden naar huis!
“Repatten”werd de toverspreuk.
We bleven echter nog anderhalve maand op het eiland. Voldoende om de
UNTEA-mensen en Pakistaanse eenheden onder leiding van generaal
Rikhye te zien verschijnen, de VN-vlag naast de Nederlandse vlag te
zien wapperen en in een eindeloze rij te staan voor de speciale
postzegels. Ook dit keer ging het verder snel.
Begin oktober (voor mijn groep was dat op vrijdag 5 oktober) stapten
we aan boord van de DC’8’s en de super constellations die de KLM uit
de mottenballen had gehaald. Na een eindeloze vlucht door
Zuidoost-Azië en het Midden Oosten kwam mijn groep van tachtig man
op zaterdag 6 oktober op Schiphol aan.
Daarna restte nog een aantal weken Appingedam (een uiterst
vervreemdende episode) en het afzwaaien op 21 november 1962.
Eerder dan normaal. Er was namelijk een groot pluspunt aan het
verblijf in de tropen. Afgezien van de extra soldij konden wij
vervroegd uit dienst. Het andere souvenir was de
herinneringsmedaille; later ook door andere Nieuw-Guineagangers fel
begeerd, maar door sommigen van ons het “pindakruis”genoemd.
Wat spookten we daar uit?
Een maand op de boot en vierenhalve maand op een ver tropisch
eiland! Het leek wel een avontuur uit de Bob Evers-serie! Wat
spookten we daar uit? Ik weet niet hoe jullie dit tropisch
intermezzo hebben ervaren. Als een romantisch uitstapje? Een
avontuur? Als een krankzinnige onderbreking van de diensttijd? Als
volstrekt zinloos net als Aad Nuis die zijn ervaringen neerlegde in
“De balenkraai”?
Waarom stuurde de regering ons in hemelsnaam naar dat verre oord?
Vanwege het conflict om Nieuw-Guinea, dat is duidelijk. Maar wat
waren de achtergronden van dat beleid? Het is een gekke
gewaarwording: je opereert als militair in het hart van de
gebeurtenissen, maar je snapt er in feite weinig van.
Je zit op de bodem van de put en kunt niet over de rand kijken. Anno
2005 is die vraag al helemaal niet een-twee-drie te beantwoorden. De
hele notie dat Nederland meer dan veertig jaar geleden een “laatste
koloniale oorlog” voerde, is immers grotendeels uit het publieke
geheugen weggegleden. Vertel het je kinderen en ze kunnen het niet
plaatsen. “Dads war” is een behoorlijk mysterieuze episode.
Voor mij persoonlijk heeft dat vraagteken in ieder geval nogal wat
consequenties gehad. Toen ik na mijn afzwaaien geschiedenis ging
studeren in Utrecht wilde ik dat merkwaardige beleid koste wat kost
uitspitten. Azië en Indonesië werden mijn oriëntatiepunten. Het
leverde niet alleen mijn latere baan op (de Azië-sector van BZ) maar
ook ettelijke publicaties.Nieuw-Guinea en de totale
dekolonisatieproblematiek zijn mij blijven fascineren.
Nieuw-Guinea als tragedie
Nieuw-Guinea was een tragedie. Het was een lijdensweg waar Nederland
beter niet aan had kunnen beginnen. Vooral de Papoea’s zijn er het
slachtoffer van geworden. Wie zou het vandaag de dag ontkennen? De
origine lag bij de afhandeling van een ander, eerder drama: de
dekolonisatie van Indonesië. In 1949 droeg Nederland na een bewogen
periode van onderhandelingen en militaire acties en na een ronde
tafel conferentie in Den Haag de soevereiniteit over zijn kolonie
Nederlands Indië over aan Indonesië.
Het leek er even op dat die overdracht een nieuw hoofdstuk inluidde
in de relaties tussen oud-kolonisator en voormalige kolonie. Maar
dat viel tegen. Aan beide zijden lag nog veel oud zeer opgeslagen.
Aan Nederlandse kant bestond onder bepaalde groepen een diep
ressentiment; bij sommige over het “verlies van ons Indië”, bij
andere over het verloop van de dekolonisatie.
Rancunes hadden bijna zelfs de overdracht aan Indonesië verhinderd.
Slechts door Nieuw-Guinea tijdelijk van de overdracht uit te
zonderen had het kabinet de oppositie over de streep kunnen
trekken. Ook in Indonesië speelden oude gevoelens op.
Het revolutionaire, anti-Nederlandse instinct was nog lang niet
uitgewoed. Er bestond bovendien kritiek op de Ronde Tafel
Conferentie omdat Indonesië op allerlei punten water in de wijn had
moeten doen.
Een aantal opeenvolgende ontwikkelingen: de ontbinding van het KNIl,
een drietal opstanden waarbij oud-KNIL-militairen een centrale rol
speelden (Westerling, Makassar en Ambon) en de opheffing van de door
Nederland gecreëerde deelstaten, zorgden ervoor dat het klimaat
tussen beide landen flink bedorven raakte.
Het nationalistisch sentiment in Indonesië laaide op. De inzet werd
Nieuw-Guinea. Sukarno wenste dit gebied “in de schoot van de
Republiek terug te voeren”. Toch was de situatie nog niet helemaal
zwart-wit. Ondanks alle emoties zou in 1950 nog wel een regeling
voor Nieuw-Guinea mogelijk zijn geweest. Nederlandse
compromisvoorstellen werden echter door Indonesië vierkant
afgewezen.
In Nederland misten de slechter wordende betrekkingen en de
Nieuw-Guinea-actie van Sukarno hun effect niet. Bij de meeste
politieke partijen breidden zich tegen het midden van de jaren
vijftig de anti-Indonesische gevoelens als een olievlek uit. Men
klampte zich steeds krampachtiger aan Nieuw-Guinea vast.
Voor Nederland en Indonesië werd dit eens zo desolate gebied inzet,
symbool en geloofsartikel. In beide landen liepen de emoties hoog
op. De jaren vijftig draaiden dan ook geleidelijk uit op een fataal
escalatieproces. Indonesië deed in 1955,1956 nog een poging om de
relaties op alle fronten door te lichten.
Toen Nederland echter weigerde de kwestie Nieuw-Guinea te
bespreken, zette Jakarta een punt achter een deel van de
rtc-akkoorden. Maar daarbij bleef het niet. Het Nederlands
bedrijfsleven was na de soevereiniteitsoverdracht in Indonesië
gebleven en domineerde de Indonesische economie. In 1957-1958
besloot Indonesië de Nederlandse ondernemingen (hun waarde
bedroeg op dat moment nominaal 4 tot 5 miljard gulden) onder
beheer te stellen en vervolgens te nationaliseren.
Eind van het liedje was een exodus van Nederlanders en tienduizenden
Indische Nederlanders van wie de meesten het moederland nog nooit
hadden gezien. In Nederland werd Indonesië taboe, het kreeg een
inktzwarte pers, 'Sukarno' werd haast een scheldnaam.
Tegelijkertijd nam Indonesië Nieuw-Guinea op de korrel door
incidenteel militaire infiltraties uit te voeren. Toen Nederland
daarop in 1960 versterkingen stuurde met het vliegtuigmoederschip
Karel Doorman, verbrak Indonesië prompt de diplomatieke
betrekkingen. Die reis van de Karel Doorman vormde het startpunt van
een proces van diplomatieke en militaire escalatie. We hebben ons
dat nooit precies gerealiseerd. Maar dat proces bereikte, juist
tijdens onze reis naar en verblijf op Biak, tussen april en augustus
1962, een hoogtepunt. Wat was er precies aan de hand? Tot nu toe heb
ik de grote lijn van het verhaal verteld. Nu wordt het tijd om in te
zoomen.
Beslissend stadium
Na de reis van de Karel Doorman kwam de Nieuw-Guinea-kwestie in een
belissend stadium. Het kabinet in Den Haag begon in het najaar van
1960 te beseffen dat vasthouden aan Nieuw Guinea een onmogelijke
zaak was. In Nederland kantten zich steeds grotere delen van de
publieke opinie tegen het beleid. Daarnaast werd het internationale
klimaat steeds ongunstiger, nam de Indonesische militaire dreiging
toe en was het zonneklaar dat geen enkel land Nederland bij een
oorlog zou steunen, ook de VS niet.
Nederland wilde van het probleem af. Maar hoe? Minister van
buitenlandse zaken Joseph Luns legde de VN in november 1961 een
voorstel voor. Hij lanceerde de gedachte om Nieuw-Guinea onder
VN-supervisie te plaatsen. Aan het eind van dat VN-bestuur zou
Nieuw-Guinea onafhankelijk worden. Onafhankelijkheid was altijd al
de Nederlandse doelstelling geweest, maar dat werd nu versneld. Het
zelfbeschikkingsrecht van de Papoea-bevolking werd daarom hoog op
het schild geheven.
In april 1961 was daartoe al de Nieuw-Guinearaad opgericht. Enige
maanden later kregen de Papoea’s een eigen vlag en volkslied. Het
voorstel van Luns voor een VN-trustschap sloot er bij aan. Het liep
echter op niets uit. De Algemene Vergadering van de VN ketste “het
plan-Luns” eind november 1962 af.
Luns internationaliseringspoging bleef in Indonesië niet
onopgemerkt. Het wekte de woede op van president Sukarno.
Nieuw-Guinea hoorde immers bij Indonesië! Op 19 december 1961
kondigde hij de mobilisatie af van al zijn troepen teneinde
West-Irian te bevrijden “uit de klauwen van het Nederlandse
imperialisme”. Hij richtte een speciaal militair commando op,
“Commando Mandala”, dat de daarop volgende maanden een grote
strijdmacht in Oost-Indonesië bijeenbracht. Het stond onder leiding
van generaal Soeharto, de latere president. Het werd na “de slag in
de Etna-baai” de inleiding tot steeds intensiever wordende
Indonesische militaire acties.
In Washington sloeg men de ontwikkelingen intussen met steeds
grotere bezorgdheid gade. Het was bang dat de communisten in
Indonesië de macht zouden grijpen. De PKI oefende in Amerikaanse
ogen een steeds grotere invloed uit op de Indonesische regering.
Rond 1958 had men de opmars van de PKI nog willen stuiten. De CIA
had in dat jaar Indonesische groepen gesteund die tegen de centrale
regering in Jakarta in opstand kwamen.
De Amerikaanse regering had in die periode Nieuw-Guinea nog als een
anticommunistisch bolwerk gezien. Minister Dulles gaf toen de
Nederlandse regering zelfs een overigens vrij vage garantie dat de
VS Nederland ingeval van Indonesische militaire dreiging op de
een of andere manier zouden bijstaan. Maar toen het Indonesische
leger de opstanden met succes wist te bedwingen, wijzigden de
regering-Eisenhower en vervolgens ook de regering-Kennedy hun
koers.
Zij gingen het Indonesische leger als hét bolwerk zien tegenover de
oprukkende Indonesische communisten. Dat leger verdiende alle steun.
Nieuw-Guinea werd in Amerikaanse ogen een stoorzender die de
ontwikkelingen in Indonesië ongunstig beïnvloedde en de PKI in de
kaart speelde.
Washington was dan ook bijzonder blij dat Nederland via het
plan-Luns van het probleem probeerde af te komen.Toen dit echter
mislukte, vonden de Amerikanen dat Nederland direct met Indonesië in
het reine moest komen. Zij drongen zowel rechtstreeks als via
VN-seceretaris-generaal U Thant aan dat beide partijen overleg
gingen voeren. Nederland stemde in met een open gesprek met
Indonesië, maar zei wel dat er maar een uitgangspunt kon zijn: een
VN-periode met aan het eind het zelfbeschikkingsrecht van de
bevolking. De Indonesiërs moesten daarvan echter niets hebben; zij
eisten dat het gebied onmiddellijk onder Indonesisch bestuur kwam.
Tussen oorlog en diplomatie
In maart 1962 raakten Nederland en Indonesië het eens over de
wijze waarop het overleg zou plaatsvinden. De onderhandelingen
gingen vervolgens op 20 maart onder de grootste geheimhouding van
start. Zij vonden plaats in het Amerikaanse plaatsje Middleburgh,
vlakbij Washington. De Amerikaanse diplomaat Bunker bemiddelde
erbij; officieel namens de VN, in feite namens de VS. Dat leek een
voorspoedig begin, maar het overleg werd al meteen afgebroken.
Nederland en Indonesië stonden vierkant tegenover elkaar. Maar
Bunker greep in en lanceerde een eigen voorstel. Nieuw-Guinea zou in
een eerste fase onder toezicht komen van de VN: eerst met
Nederlandse en vervolgens met Indonesische assistentie. Vervolgens
zou het bestuur aan Indonesië worden overgedragen. Na verloop van
tijd zou er een “daad van vrije keuze”, een “act of free choice”,
plaatsvinden waarbij de bevolking zich zou kunnen uitspreken.
Het zogenaamde “plan-Bunker”ontmoette aan Nederlandse en
Indonesische kant veel verzet. De Indonesiërs bleven van hun eerdere
eis uitgaan; Sukarno bleef verklaren dat Irian Barat voor het eind
van het jaar in Indonesische handen zou zijn. In deze bloot –slaat-
dood - situatie rekten beide partijen van april tot in juli 1962 de
besprekingen. Het gaf Indonesië de kans de militaire druk op te
voeren. Precies op de dag, 20 maart, dat het overleg werd geopend,
had al een nieuwe Indonesische landing plaatsgevonden; de daarop
volgende dagen waren er nog twee gevolgd.
Eind april landden er voor het eerst paracommando’s en dat patroon
werd vooral in mei stevig opgevoerd. Jakarta had inmiddels zijn
diplomaten uit Middleburgh teruggeroepen en het was wel duidelijk
waarom. Indonesië wilde de kanonnen optimaal in stelling brengen
teneinde de druk bij de onderhandelingen zo hoog mogelijk op te
voeren.
De overlegpauze kwam echter ook Nederland goed uit. De nieuwe
Indonesische acties maakten grootscheepse troepenversterkingen
onvermijdelijk. Eind maart besloot het kabinet eenheden mariniers te
zenden. Tegelijk besloot het tot “Operatie Zaltbommel”. In april en
mei werden twee bataljons infanterie, twee eenheden LUA en allerlei
aanvullende onderdelen naar het gebied gestuurd.
Het ging om het
41e
Bataljon Stoottroepen en het 17e Infanterie
Bataljon Chassee en
de 928e en de 940e Afdelingen lichte LUA. De
sterkte van de luchtmacht werd opgevoerd tot twee squadrons Hawker
Hunters; verder was er een squadron Neptunes aanwezig. De marine
bereikte een sterkte van 2 a 3 fregatten, 4 jagers en 3
onderzeeboten. Het resultaat was dat de personeelssterkte van de
drie strijdmachtonderdelen verdubbelde; zij kwam in juli op 10.000
man te liggen.
Wat stelde Indonesië daartegenover? De marine kende een bonte
verscheidenheid. De kern daarvan bestond uit 5 torpedobootjagers, 4
kleinere jagers en fregatten en een aantal Russische onderzeeërs. De
waarde van deze marine werd aan Nederlandse kant niet al te hoog
aangeslagen. De grootste bedreiging werd echter gevormd door de
Indonesische luchtmacht. Deze omvatte ongeveer honderd moderne
Russische straaljagers, met Migs, Iljusjins en met als kern twintig
Tupulev-16 lange afstandbommenwerpers. Verder waren er Hercules
transporttoestellen, die Jakarta gebruikte om parachutisten af te
werpen. Daarvan stond een korps van 6000 geoefende manschappen
gereed.
Wie zou er in deze wedloop winnen: de militairen of de diplomaten?
Terwijl de Indonesiërs overal aanvallen uitvoerden op de zuid- en
westkust en hun troepen concentreerden voor een grote aanval en de
Nederlanders versterkingen aanvoerden, kwamen de diplomaten almaar
niet in beweging.
Pas op 25 mei, dus toen de Zuiderkruis in Hollandia arriveerde, de
Waterman het Panama-kanaal al was gepasseerd en de Grote Beer Hoek
van Holland had verlaten, besloot het kabinet-de Quay het
plan-Bunker als uitgangspunt te aanvaarden. Maar dat geschiedde niet
zonder meer. Men wilde niet bij voorbaat uitgaan van een overdracht,
zeker niet van een overdracht aan Indonesië, en wilde alleen verder
onderhandelen indien het zelfbeschikkingsrecht werd veilig gesteld.
Indonesië stelde daar zijn eigen eisen tegenover. Pas op 13 juli
1962 – de 928e was inmiddels al lang en breed op Biak gearriveerd -
kon het overleg worden hervat.
De Indonesiërs gaven hun eis tot onmiddellijke overdracht aan
Jakarta op en verklaarden zich akkoord met een VN-interimbestuur.
Het was echter Nederland dat het meeste water in de wijn schonk.
Zowel op het punt van de overdracht aan Indonesië, de lengte van het
VN-bestuur als op dat van het zelfbeschikkingsrecht. De zware
Indonesische militaire druk en de Amerikaanse diplomatieke pressie
hadden onmiskenbaar invloed.
De Indonesische militaire druk nam steeds meer toe. Jakarta voerde
de acties in de loop van juni en juli steeds verder op. Er werden in
de periode tussen 15 januari en 14 augustus in totaal ruim 1800
manschappen op Nieuw-Guinea geland of neergelaten. Het merendeel
bestond uit parachutisten. Na afloop was een kleine duizend man in
staat zich te melden. 159 man waren gedood, 479 gevangen genomen, de
rest werd vermist. Dan was er een grootscheepse Indonesische aanval
op komst, “operatie Jayawijaya”.
Het Nederlands militair commando op Nieuw-Guinea, Costring, was daar
het nodige van. Een van de grootste pluspunten aan Nederlandse kant
was dat men over een goede inlichtingendienst beschikte. Uit haar
rapporten werd steeds duidelijker dat vooral Biak naast de Vogelkop
en Hollandia het mikpunt zou zijn. De Indonesische vloot en
luchtmacht concentreerde zich daartoe bij Celebes en in de Molukken.
Costring verwachtte dat deze massale aanval rond 10 augustus zou
plaatsvinden.
De Nederlandse onderhandelaars beseften dat zij in grote tijdnood
zaten en maakten vaart. Op 31 juli raakten beide delegaties het eens
over een conceptovereenkomst die naar de hoofdsteden werd
opgestuurd. Nederland zou daarbij het bestuur overdragen aan een
tijdelijke VN-administratie, de UNTEA. Deze zou na 1 mei 1963 het
bestuur overdragen aan Indonesië.
Jakarta zou na verloop van tijd een daad van vrije keuze organiseren
waarbij de bevolking zich over de toekomst van het gebied kon
uitspreken. Dat zou geschieden onder toezicht en met medewerking van
een speciale vertegenwoordiger van de secretaris generaal van de VN.
Ook dit keer had Nederland aanzienlijke concessies moeten doen. Van
Bunkers oorspronkelijke gedachte om zeker de eerste VN-periode met
Nederlandse assistentie, een jaar te laten duren, was weinig
terechtgekomen.
Nederland had al met al op het punt van het Indonesisch bestuur, de
lengte van het VN-bestuur en het zelfbeschikkingsrecht zwaar moeten
toegeven. Het kabinet in Den Haag steigerde. Maar het zag gezien de
militaire dreiging, de zware Amerikaanse druk en de Nederlandse
publieke opinie geen andere uitweg dan akkoord te gaan. Het was een
eclatante Indonesische overwinning. Desondanks was Sukarno niet
tevreden. Hij vond dat Indonesië teveel concessies had gedaan en
wilde maar één ding: “operatie Jayawijaya” doorzetten.
Volgens de Amerikaanse en Nederlandse inlichtingendiensten stond
alles gereed voor een grootscheepse aanval. President Kennedy pikte
Sukarno’s koppigheid echter niet. Hij kwam tot tweemaal toe
persoonlijk tussenbeide. Sukarno moest inbinden.
Op 15 augustus 1962 kon het akkoord van New York door de Nederlandse
onderhandelaar Van Roijen en de Indonesische onderhandelaar
Soebandrio worden getekend. Nederland droeg het gebied via de VN
over. Dat was echter nog niet het einde van het verhaal. In juli
1969 vond onder toezicht van de VN de overeengekomen
volksraadpleging onder de Papoea's plaats.
De uitslag leek tevoren al een bekeken zaak. De zorgvuldig
geselecteerde vertegenwoordigers spraken zich unaniem uit om bij
Indonesië te blijven. De VN-rapporteur schreef nog een kritisch
verslag maar de AVVN en ook Nederland legden zich er bij neer.
Conclusie
Dit brengt mijn verhaal ten einde. We kunnen met recht
concluderen dat we er op Biak midden inzaten en misschien dieper dan
menigeen van ons ooit heeft gedacht. Er rest een vraag. Wat zou er
zijn gebeurd indien er geen akkoord was bereikt? Het lijkt mij
duidelijk. De grote aanval op Biak zou zijn doorgegaan. Ikzelf zou
als “munitieboer” op een van mijn munitiewagens in duizend stukjes
zijn ontploft.
Er zijn in Nederland nog altijd militaire deskundigen die denken dat
we het hadden gered. Ik ben er niet zo zeker van. Zeker niet toen ik
jaren na dato hoorde dat de Indonesische duikboten door Russen
werden bemand! En de Russische vliegtuigen? Gold wat voor de
duikboten gold, ook voor de tupolevs? Dat wij elkaar hier in de ogen
kunnen kijken hebben we aan onze diplomaten te danken.
Literatuur
Hieronder volgt een opsomming van de gebruikte literatuur. Het
meest recente boek is dat van Elands en Staarman. Een interessante
verhandeling over de militaire en politieke aspecten van het
Nieuw-Guineabeleid is “Patrouilleren voor de Papoea’s ” van Van
Holst Pellekaan c.s. In het najaar verschijnt verder een nieuw
handboek van P.J. Drooglever.
Algemeen
J.J.P. de Jong, De waaier van het fortuin. De Nederlanders in
Azië en de Indonesische archipel 1595-1950. Den Haag 1998
Nieuw-Guinea politiek
A.Lijphart, The trauma of decolonization. New Haven 1966
J.G. de Beus, Morgen bij het aanbreken van de dag. Nederland
driemaal aan de vooravond van oorlog. Rotterdam 1978
J.L.R. Huydecoper van Nigtevegt, Nieuw-Guinea.Het einde van een
koloniaal beleid. ’s-Gravenhage 1990
Ben Koster, Een verloren land. De regering Kennedy en de
Nieuw-Guinea kwestie 1961-1962. Baarn 1991
H. Meyer, Den Haag-Djakarta, Nederlands-Indonesische betrekkingen
1950-1962. Utrecht 1994
Eind 2005 verschijnt P.J. Drooglever, Een daad van vrije keuze. De
dekolonisatie van Indonesië en het zelfbeschikkingsrecht van de
Papoea’s
Nieuw-Guinea militair
R.E. van Holst Pellekaan, I.C. de Regt, J.F. Bastiaans,
Patrouilleren voor de Papoea’s. De Koninklijke Marine in Nederlands
Nieuw-Guinea dl. 5a 1945-1960; dl. 5b 1960-1962. Amsterdan 1989 en
1990
W. Klinkert, R.U.M.M. Otten en J. Plasmans, Nieuw-Guinea 1958-1962
in: 75 jaar Luchtdoelartillerie 1917-1992. Sectie Militaire
geschiedenis 1992
Martin Elands en Alfred Staarman (red),
Afscheid van Nieuw-Guinea. Het Nederlands-Indonesisch conflict
1950-1962. Bussum 2003 |
|