|
Het verhaal
van veteraan Gerhard de Bruyn
Bron: Brons
orgaan van de vereniging BL en BK.
17
december 1959.10.45 uur.
Bij Babo op Nieuw Guinea is een patrouille mariniers onder leiding luitenant Will
Prins aan het werk. Ze maken een oude Japanse landingsstrip onklaar om te voorkomen
dat de rood/witten, de Indonesiërs die Nieuw Guinea als hun grondgebied hebben geclaimd,
er ooit zullen landen. Een groepje specialisten is bezig over gebleven bommen uit WO
II tot ontploffing te brengen.
Dan horen ze in de verte het geluid van de motoren van een
Martin Mariner, een watervliegtuig van de marine. Alle hoofden gaan omhoog. Fijn
denkt Jos van de Konijnenburg, dienstplichtig korporaal, daar komt de kerstpost!
Eindelijk bericht van huis!!" Telegrafist Henk Greuters maakt verbinding met het
passerende vliegtuig. Hier JZF 3, meld u." De codes vliegen over en weer. Alles
is goed, de Mariner verdwijnt in de verte. Greuters meent zelfs te zien dat het luik
open staat en hij een van de mannen ziet lopen in het vliegtuig. "Als we straks terug
zijn in Fak Fak, dan ligt er post."
Voor de kust van Fak Fak ligt..het patrouillevaartuig de
,LCPR. De mannen op dat schip zijn belast met het volgen van alle mogelijke
radioverkeer. En eenmaal in het half uur hebben ze contact met de Martin
Mariner. Ze volgen het toestel op zijn vlucht van 'Biak naar Fak Fak.
Marinierstelegrafist Piet Postma maakt ieder half uur contact. 11.00 uur: "Hier Fak
Fak, Mariner, meld u." Het antwoord is duidèlljk."We zijn er bijna. En we
hebben post bij ons."
17 december, 1959, 11.25 uur. De Martin Mariner, de Crew Killer, het slechtste type dat de
Nederlandse regering ooit aankocht, stort neer in de Patipibaai, vijf man vinden de dood
en drie worstelen voor hun leven. note: zie ook De Transitvlucht met de Martin Mariner
'Gerhard de Bruyn, eerste mecano en net sergeant geworden, voelt hoe hij met het
toestel in de diepte wordt getrokken. Haaien, weet hij, haaien, overal zitten
hier gigantische haaien. Hij rukt aan zijn voet, die ergens aan bekneld zit.
Twee tenen rukt hij af voordat de voet loskomt. Dan ligt hij in het water. Zijn
reddingsvest is aan flarden en zal hem niet helpen. Hij zwemt naar een losgeslagen
benzinetank. Grijpt zich er aan vast. Er zit nog benzine in, die stroom door
een gat uit de tank over zijn gezicht. Ze benzine bijt in de wonden die hij over op
zijn Iichaam heeft. Hij vecht voor zijn leven.
Angst
Door zijn angst heen heeft hij gekeken naar het vliegtuig en gezien hoe gezagvoerder
Adriaanse, de man met wie hij al jaren vloog en die hij hoog had, met co-piloot Betram,
stil, vast in de riemen, zonder verder te bewegen, in de golven zijn verdwenen.
Na een klap op het water van een neerstortend vliegtuig, duurt het veertig minuten
voordat de haaien hun angst hebben overwonnen en op de geur van bloed afkomen, heeft hij
in zijn opleiding geleerd. Bloed genoeg, weet Gerhard, het stroomt uit zijn lijf.
Het kan niet lang meer duren voordat hij aan stukken wordt gescheurd.
Dan een stem. En een gezicht. Gerhard
herinnert het zich zo: "Er kwamen mannen in zo'n holle boom, echte met nog zo'n bot
door hun neus. Ik ben met bovenmenselijke kracht in die kano terecht gekomen. En daar werd
ik weer bang. Ik dacht echt; nu ben k van de haaien gered en nu gaan ze me nog opeten ook.
Want wat wisten wij nu van Papoea's. In onze ogen waren het koppensnellers.
Gerhard werd naar een dorp gebracht, waar hij werd uitgekleed en gewassen, hij kreeg
melk te drinken en een van de papoea's wees precies de plek aan waar later zou blijken dat
Gerhard zijn rug had gebroken. En de mannen, ze moesten lachen om die bruine blanke
met een witte piel. Toen had hij het wel door, hij zou niet worden opgegeten.
Hij was gered.
Deze mannen waren met gevaar voor eigen leven, want er stond
een zware deining die ochtend, uitgevaren om een ander mens te helpen. Twaalf en een
half uur later werden Gerhard de Bruyn en korporaal Miel Koelhuis (die door een andere
werd gered) door de HMS Amsterdam opgepikt.
September 2000. 12.00 uur. Wassenaar. In een prachtige woning, tweehoog, op
een van de vele landgoederen die Wassenaar rijk is, zit Gerhard de Bruyn. Hij draagt
een blauwe blazer die aan een kant zwaar is van de medailles en onderscheidingen die hem
ten deel vielen. Hij zit rechtop, zoals een oud-militair betaamt. Hij kijkt
naar de televisie. Daar ziet hij beelden van een baai ver weg in Nieuw Guinea.
Een roeibootje wordt het strand op gesleept.
Vijf Nederlandse mannen stappen uit. De camera zwaait naar het dorp waar
kinderen rondrennen en twee donkere mannetjes uit de menigte naar voren stappen.
Netjes, beleefd, schuw haast, de katoenen hemden keurig gestreken. Om hun nek
dragen ze een medaille. Het zijn Kuning Garamakha en Kasiu Sagara. Ze schudden
de hand van de Hollandse mannen. Ja, ze weten het nog van het vliegtuig. Ja,
ze kennen die man op de foto wel. Want deze twee oude mannen, zijn de redders van
Gerhard de Bruyn.
Gerhard kijkt en kijkt. Hij zal niets laten merken,
maar zijn anders zo vaste hand trilt, over zijn gezicht schieten kleine krampjes, tussen
lachen en huilen in. De camera draait het dorp in. Daar, een primitieve
watertoren.
Kijk eens, Gerhard, waar ze het water in opvingen. Het is de benzinetank waaraan
Gerhard de Bruyn 41 jaar geleden zijn leven dankte.
Die ene, Kaslu Gagara herken ik wel geloof ik, ze zijn zo oud geworden. Man, wat een
kippenvel, ik wil er heen, ik wil ze de hand schudden. Zij hebben mijn leven gered. Van
hun heb ik de afgelopen 41 jaar gekregen, zo maar cadeau gekregen, van hun. Zijn zachte
stem, die door de lange aaa's Utrecht als zijn geboortestad verraadt, sterft weg en
eindelijk springen die stoere man de tranen in zijn ogen. "Man, zo gauw het
daar in Nieuw Guinea weer rustig is, dan ga ik er heen. En als het moet dan neem Ik, een
schip rijst voor ze mee. Ik ben ze zo dankbaar."
Grafdingen
In dezelfde kamer is ook Henk Luijt aanwezig, toen ook marinier verbindingsdienst:
"Op de dag van het ongeluk brak om 11.30 uur pleuris uit. Er was weer
een Martin Mariner neergestort. De ene na de andere mededeling moest de lucht in.
Van dringend tot zeer dringend. De stemming was: ze zullen die grafdingen nu
toch niet meer laten vliegen."
Luijt: "En dag later kwam er goed bericht, beter althans, er was een papoea
aangekomen in een kano, hij had acht uur lang gepeddeld om een van de andere overlevenden,
Luitenant ter zee, G.P. Slikker, naar Fak Fak te brengen. Ze waren dus niet allemaal
dood.
Na ongeveer een maand mocht ik mee, op een expeditie naar de kampong waar
Gerhard gebracht was. We hadden een geschenk-zending bij ons, zesenzestig
zakken cement en bronzen medailles. In aanwezigheid van de sultan van Roembatti en
de resident van Fak Fak kregen de redders een feestmaal, midden in de bush met glazen,
borden, en bestek. Dat had de sultan geregeld,: Gerhard herinnert het zich misschien
anders, ~ ik kan me herinneren dat ze redelijk geciviliseerd waren, moslims en zonder
peniskokers of ze iets.
Over het ongeluk van Gerhard de Bruyn schreven we in november 1998 al een artikel.,
Het was toen dat Jos van de Konijnenburg, die in de jungle bij Babo zo op zijn kerstpost
hoopte, voor het eerst las dat er meerdere overlevenden bij het ongeluk met de Martin
Marriner waren geweest. Hij zocht contact met Gerhard.
Oòk Piet Postrna zit in de kamer waar de video wordt ver toond. Ook Postrna
is de herin-
nering aan Nieuw Guinea nooit kwijtgeraakt en de herinnering aan dat vliegtuig waar hij
als laatste contact mee had.
"Vorig jaar las ik een advertentie in het veteranenblad 'Alle Hens' voor een
veteranenreis op een schoener rond de vogelkop van Nieuw Guinea. Begin dit jaar zijn we
met 16 veteranen naar Nieuw Guinea vertrokken. Wij zijn op zoek gegaan naar de
plaatsen waar we veertig geleden geweest waren. Nog voor wij vertrokken hadden we
het plan om zeker de Patipibaai te bezoeken. We hoopten daar de redders te ontmoeten.
Eigenlijk had iedereen aangenomen dat die mannen niet meer leefden.
Het was een emotioneel moment om die mensen die je
nooit eerder hebt gezien, maar waar je zoveel van hebt gehoord, de hand te mogen
schudden.Het was een ontmoeting met oermensen, die we nog altijd koesteren. Stiekem
waren we van plan om ze misschien door zo'n verrassingsprogramma uit de televisie naar
Nederland te halen. Helaas blijft dat, door de huidige politieke situatie op Nieuw
Guinea, voorlopig een droom.
Het eiland is van de buitenwereld afgesneden.
Nieuw Guinea, zet ze in één kamer, deze binken, en binnen twee minuten komen de eerste
tranen. Ze beginnen stoer: "Man, wat een prachttijd was dat toch. Weet je
nog hoe we altijd na patrouille in versnelde pas naar Fak Fak moesten, hoe steil die weg
nog was? Ja, en weet je nog hoe we dan buiten stonden te mandieën, als er al water
was. " Dan zwaait het verhaal naar: "Patrouille, met wurgkoord op zak en
scherpe patronen. De bush in en je wist dat er geen weg terug was. Zou je de
vijand tegen komen? Zou je het overleven? Wat wil je, we waren jonge jongens,
nooit iets beleefd en dan plotseling in de jungle. Oh, het was er zo mooi. En
we konden heel best met die papoea's opschieten, hoor."
Meningen
Ook hoor je dat meningen altijd verdeeld blijven: had Nederland nu wel of niet
moeten zwichten voor de internationale druk en Nieuw Guinea aan Indonesië overlaten?
De een zegt dat Nederland zich nooit iets aan Nieuw Guinea gelegen heeft laten
liggen. Niets was er, geen ziekenhuizen, geen voorzieningen, het was een wingewest,
noem het maar een roofgewest. Alles wat er nu aan welvaart is, hebben de
Indonesiërs gebracht. De ander vindt dat de deplorabele staat van het land alleen
aan Indonesië is te wijten.
Maar deze mannen vechten niet meer over dit soort onderwerpen, ze respecteren
elkaars mening, want ze hebben één ding gemeen: ze houden van Nieuw Guinea.
Gerhard de Bruyn geeft zelfs lezingen over het eiland waar hij bijna de dood vond.
Geen dier, vis of plant die hij niet kent.
Gerhard: "Gek, eigenlijk, ik ben er nooit meer terug geweest. Maar
nu ik weet dat mijn redders nog Ieven, zal ik gaan. Ik wil ze nog een keer
omarmen." Nieuw Guinea, het zal ze nooit verlaten".
|