Meer naar het westen lagen in het Ost vak de
volgende dorpjes. Jibal al-Butm. Een klein dorpje hoog op en aan een
berg hangend.
Verder naar het westen lag het dorpje Zibqin. Als je door het dorp
reed kwam je uit op de road under construction.
Hier hield de redelijk verharde weg op om over te gaan in een breed
geitenpad. De weg was hier en daar zo slecht dat je met een Nekaf
niet harder dan 20 km kon rijden. En dan nóg rammelden de vullingen
uit je mond..
Na een paar km kwam je op de post 7-7. Hier stonden ook twee
mortieren van de Ost Cie.
Verder naar het westen lag het vak van de Charly Cie. welke de kust
strook bezetten. Hier was het terrein vlakker en groener.
Langs de kust lagen de plantages met sinaasappelen, citrus en
olijven.
Ook hier leende het terrein zich prima voor infiltraties en de
Charly's hadden het er dan ook druk mee.
In het zuid oosten naast het Ost vak lag de Alpha Cie. Verder naar
het oosten lag de staf Cie. Hier hield het gebied van Dutchbatt op
en begon het gebied van de Ieren.
In totaal lagen er zo'n achthonderd Nederlanders in ons gebied.
Verspreid over posten, variërend in bezetting van tussen de veertig
en acht man.
Het gebied zelf had een oppervlakte van zo'n tien bij vijftig km,
niet zó groot maar de wilde natuur maakte het zeer ondoordringbaar.
 |
De eerste weken waren moeilijk voor het
Bataljon. De partijen in het noorden (PLO) probeerden Dutchbatt
vrijwel onmiddellijk uit.
Patrouilles werden beschoten en sommige posten waaronder 7-8 kwamen
onder vuur te liggen.
Dutchbatt reageerde hierop door met gelijke munt terug te betalen.
Dit viel zeer goed in de smaak van Unifil welke graag zag dat de
Batt. niet over zich heen lieten lopen.
Dutchbattl liet hier in het begin een goede indruk achter.
Dit hield wel in dat als één van de andere batt. in de problemen
kwam al snel de hulp van Dutchbatt werd ingeroepen.
Keer op keer rukten de Yp's van de Standby uit om het gevaar te
bezweren.
Dit bezorgde een hoop druk en stres voor de leden van de Standby die
soms net terug, alweer moesten uitrukken.
Later zou dit beter worden geregeld in de Force Main Reserve (FMR),
maar nu was het aanpakken met name voor de mannen van de OStCie.
Er werd ´s avonds en 's nachts veel om licht steun gevraagd.
De mortieren van 7-8 welke vlak naast de tenten stonden opgesteld
waren dan lekker bezig en het was dan niet mogelijk even een uiltje
te knappen.
Bovendien was de kans groot dat je bezig was met het aan en af
voeren van de granaten naar de mortier kuilen.
Iedere nacht ging er een patrouille uit.
Soms op verzoek om infiltranten te onderscheppen. Soms gewoon om de
omgeving in de gaten te houden.
Overdag had je de sociale patrouilles. Dan ging je met name de
dorpen in en sprak met de inwoners. Vaak moest je blijven thee
drinken.
Deze mierzoete drank kon je uit respect en eerbied niet weigeren.
Gelukkig kwamen we er achter dat wanneer je je lepeltje over het
kopje legde ze dit opvatten als een: ik heb genoeg.
Na twee of drie keer bijschenken was het de hoogste tijd om dit te
doen daar de thee bijzonder zoet was.
Er waren een dorpje of twintig in het gebied van Dutchbatt.
De meeste hadden niet meer dan een paar honderd inwoners. Ze waren
klein, arm en leken vergeten door de tijd.
Jaren later zou ik nog de stank uit de dorpen ruiken. Niet dat ze zo
smerig waren. Enkele uitgezonderd. Maar ze hadden een eigen
karakteristieke sfeer en geur.
De nauwe straatjes en kleine pleinen konden heel deprimerend
overkomen. Ook het gedrag tegenover ons de soldaten was per dorp
verschillend.
Sommige dorpen waren anti Unifil, weer andere pro.
De dingen die mij persoonlijk het meeste hebben geraakt waren de
kinderen. Slecht gekleed, soms vies en vuil. Maar met ogen die dwars
door alles heen keken.
Ik haatte ze en ik had ze lief.
Ze beschuldigden je of ze smeekten je.
Ze konden lachen en schelden tegelijk, deze kinderen.
God wat was ik decadent en rijk opgegroeid.
Minder problemen had ik met volwassenen. Sommigen waarvan bekend was
dat ze bij een gewapende groepering hoorden werden ondervraagd of
gehoord.
Aardige lui, ze lachten je toe maar spogen op je als je je
omdraaide.
De vrouwen daarentegen waren onbereikbaar.
Er was geen mogelijkheid met een vrouw of meisje aan de praat te
komen.
Buiten het feit dat de meeste gesluierd liepen was het ons ten
strengste verboden met de vrouwen te communiceren.
Bloed en broeder wraak evenals familie eer was hier nog een groot
goed.
Alleen in dorpen als Haris ben ik met jonge
vrouwen aan de praat kunnen komen.

Volle Jeep
|
Eén keer per week moet er in de IJzeren driehoek een mobiele
patrouille worden verzorgd.
In ons gebied is dit het geval voor zowel de Fijies als de
Nederlanders.
Helaas hebben de Fijies de laatste tijd nogal op hun donder
gehad en zijn ze bang geworden voor de driehoek.
Als ik met als bemanning: de Luit en een
boordschutter op het rendez-vous punt ben aangekomen krijgen
we via de radio te horen dat we niet op steun van de Fijies
hoeven te rekenen.
Dan gaan we alleen, besluit de Luit. Via Kana rijden we de
driehoek binnen.
Als eerste gaan we een kijkje nemen bij de ' verboden weg '
. Hier staan munitie opslag plaatsen van de PLO.
De weg die we volgen ligt hoger dan de verboden weg en we
spieden met onze verrekijkers naar beneden. Na een tijdje
klinkt een afschot en een kogel giert over.
Shit ontdekt. |
|
We stijgen weer in en vervolgen onze weg naar
een van de twee dorpjes waar we met de gratie van de PLO mogen
komen. Dit dorp heet Al Magroenna.
Als we het dorp binnen rijden is er geen hond
op straat te zien. Letterlijk. We rijden tussen de smalle straatjes
door. Passeren een klein pleintje met een waterput in het midden. En
stoppen aan de andere kant van het dorp welk eindigt bij een
muurtje. Achter dit muurtje loopt een diepe wadi met steile wanden.
We roken een sigaret en voelen dat er wat staat te gebeuren. We
stappen na een paar minuten weer in de Nekaf en rijden weer terug
richting het kleine pleintje. Terwijl ik de jeep om de waterput
manoeuvreer valt het mij op dat dit een uiterst romantisch dorpje
zou kunnen zijn.
Ik rij na het pleintje het smalle straatje in
dat mij naar het einde van het dorp moet brengen. Het is zo’n
vijftien meter lang.
Als ik halverwege ben komen voor mij vijf of zes gewapende personen
de hoek om en versperren zo de doorgang.
Ik kijk in mijn spiegel en zie dat de achterkant ook is afgesloten
door een stuk of vijf gewapende personen.
Sommigen droegen een groen kleurig uniform.
Anderen westerse kleren. Dus een getailleerd hemd. Liefst in een
druk dessin. En een broek met heel wijde pijpen..
Ook droegen enkele een PLO doek om hun hoofd en schouders.
De Luit welke op de passagiers plaats zat stapt uit en begint een
gesprek met de twee mannen welke ons naderen. Dit ontaard in een
zeer vijandig gesprek.
Vanuit mijn ooghoek zie ik een beweging in mijn zijspiegel.
Eén van de mannen achter ons heeft zich losgemaakt uit de groep en
komt naar mijn kant van de jeep.
Ik zie dat hij een pistool in zijn hand heeft. Die gaat rotzooi
trappen denk ik nog. De Luit is duidelijk aan de verliezende kant
hoor ik.
Ik houd ondertussen de man in de gaten welke mij nadert. Als hij
naast mij staat begint hij in het Arabies tegen mij te brabbelen.
De Luit is tenminste nog in het Engels bezig schiet het door mijn
hoofd. Aan de toon te horen deed ik niet de juiste dingen.
Plotseling voel ik een hard voorwerp tegen mijn hoofd vlak onder
mijn baret.
O shit nee denk ik.
Ik voel een lichte druk tegen mijn hoofd en de metaalachtige klik
van ijzer op ijzer.
De man lacht en ik zie hem in mijn spiegel terug lopen.
Ik denk eigenlijk niets. De Luit heeft het ook moeilijk en zijn
gesprek loopt op niets uit. Min of meer gedwongen beland hij weer op
de bijrijders stoel.
Doorrijden sist hij mij toe.
Ik schakel in zijn één en trek op.
Luid gejuich vult de lucht.
De elementen joelen en slaan met hun geweerkolven naar ons.
Ik blijf echter rijden.
Als ik uit het straatje kom zie ik rechts van mij twee mannen op hun
hurken zitten met een RPG in de aanslag.
Ik probeer niet weg te stuiven maar rijd rustig de bergweg naar
beneden.
Weg van het dorp.
Helaas is het tot de bocht waardoor we uit het zicht zijn nog zo’n
honderd meter te rijden.
Ieder moment verwacht ik het afschot van de RPG.
Achter mij hoor ik de elementen in het Engels schelden.
Ik zweet peentjes.
Na een blik op de Luit en mijn boordschutter weet ik dat ik niet de
enigste ben.
We bereiken de bocht en als we erom heen zijn en uit het zicht geef
ik meer gas.
Een zucht van opluchting gaat door de jeep.
We komen uit het gebied zonder verdere problemen.
Ikzelf houd mij voor nooit meer in de driehoek te patrouilleren
Wat de rest doet moeten zij maar weten.
Wat mij betreft kon iedereen de ziekte krijgen.
Wat een klote land.
Wat een klote mandaad.
Op de post aangekomen houd ik mij de eerste paar uur bezig met
wapenonderhoud.
Tot een maatje langskomt en ik besluit om een sigaret te gaan roken.
Echt praten over de gebeurtenis doen we niet.
Hoewel we er wél op zinspelen.
Een schijn executie is een geliefd spelletje bij de partijen.
Eigenlijk niets nieuws.
Een uurtje later maak ik me klaar om met de avondpatrouille mee te
gaan.
Twee weken later reed ik toch weer patrouille in de IJzeren
Driehoek!
|
Luc van Kalken, oktober 2006 |
 |
| |
|
Plaatselijk
vervoer met
baret |