"Lichting 79-3"
door Frans Hens
Mijn verhaal begint op 6 januari 1978. Ik ben op weg naar ‘de
keuring’, waar ik mij om 08.15 uur precies moet melden op nummer 93
van de Van Bleyswyckstraat in Delft, bij de Indelingsraad nr. 7. In
mijn familie is het op dat moment niet meer dan normaal dat je je –
dienst – plicht vervult. Sterker nog, ik had het gevoel dat er
vooral bij mijn grootvader een zekere trots aanwezig was. Ik ging
dus zonder te zeuren keuren.
Je mocht tijdens de keuring je voorkeur aangeven en ik moet toen als
tweede voorkeur een kruisje bij VN detachement gezet hebben. Eerste
voorkeur was chauffeur vanwege het rijbewijs. De oproep voor Assen
die uiteindelijk kwam werd vooraf gegaan door een brief van het
Ministerie van Defensie. Mijn ouders moesten toestemming geven voor
mijn deelname aan het VN detachement. Er waren net kamervragen
gesteld over het verzoek aan Nederland om een bijdrage te leveren
aan de vredesmissie in Libanon. Na wat praten van mijn kant werden
de handtekeningen, met enige tegenzin, door mijn ouders geplaatst.
Ik mocht gaan.
Dit betekende Regiment Johan Willem Friso in Assen, en dus het 44ste
Pantser Infanterie Bataljon. Via kennissen van mijn ouders kon ik
vanaf week 2 meerijden met iemand met een auto, een Simca Rally 2.
Op 8 mei 1979 ging ik naar de kapper, liet mijn halflange haar
zonder model in een kortere coup met model veranderen en op 9 mei
vertrokken we zeer vroeg richting Assen, de eerste keer nog per
trein. Het was een rit van 3 en een half uur. Bij het station werden
we opgehaald met drietonners en ik voelde mij meteen een ‘bol’.
Ik bleek te zijn ingedeeld bij het Alfa mortier peloton, onderdeel
van de 43ste PAOST CIE. Geen zandhaas, zoals mijn ‘chauffeur’. Ik
verloor hem min of meer uit het oog. Een ander gebouw en een heel
andere opleiding. We bleven wel samen rijden, op zondagavond laat
aankomen in Assen, en dan toch nog even gaan stappen. Parkzicht, De
Witter Brug, dat was het wel. Na een week of twee kreeg ik op
zaterdag last van een acute blindedarm ontsteking en werd dezelfde
avond opgenomen. Na een week ziekenhuis was ik al weer op de kazerne
en was ik mijn peloton kwijt. Tijdens mijn afwezigheid was iedereen
verhuisd naar een ander gebouw.
Het kazerneleven begon. Er werd ons duidelijk gemaakt dat we wel
heel erg hard ons best moesten toen om überhaupt in aanmerking te
komen voor uitzending naar De Libanon. Maanden van stormbaan (2 maal
per dag), eindeloos oefenen met de mortieren, exercitie en lopen,
lopen en nog eens lopen. Soms zelf op het circuit van Assen. Bivak
en oefening in Duitsland waren er ook. Daar werd ik ziek en kreeg
hoge koorts. Een maat nam mijn wachtdienst over en dat was het begin
van een tot nu toe ongeëvenaarde kameraadschap. Door mijn functie
werd ik benoemd tot korporaal en mocht in een aparte mess eten, met
bediening. Nu besef ik dat dit een uitgekiende strategie van ‘het
leger’ was om enige afstand te kweken en de rest van de manschappen
duidelijk te maken dat opklimmen in de rangen beloond wordt.
Toen kwam de uitreiking van de fel begeerde en alom bewonderde
Blauwe Baret. Deze werd met gepaste trots gedragen en door ‘bollen’
met enige afgunst bekeken. We stonden op de drempel van ons grote
avontuur. Nog een paar stomvervelende lessen door onze Vaandrig die
niet mee ging naar Libanon (wat een watje was dat). En toen, op 19
november 1979, ’s morgens om 5 uur gingen we in bussen en richting
Schiphol. Daar kregen we allemaal een plastic tas met een
lunchpakket en folders. De reis naar Beirut begon. De heenreis was
een vlucht met Iceland Air, half vracht, half passagiers. De
stewardessen waren niet erg gemotiveerd en hadden allemaal een snor.
Bah. Toen de landing op het vliegveld van Beirut en het opstellen
naast een hangar. Daar kwamen ze, de rotatie ploeg. Dat waren de
keiharde bikkels die we af gingen lossen. Bruin verbrand, tanig, met
stoffige kisten en vale blauwe baret. We applaudisseerden vol
ontzag. Weer voelde ik me een ‘bol’. Wat stond me te wachten? Na
enige plichtplegingen werden we ingeladen in Franse legertrucks en
de lange rit naar onze post begon. Met open monden keken we om ons
heen. We passeerden ontelbare controle posten, van het Libanese
leger, het Syrische leger, van de lokale militie, van? Eindelijk
kwamen we aan bij onze post. Post 7-8, de commando post van de PAOST.
Ik werd ingedeeld in de middelste pre-fab aan de linkerkant. Ik
pakte mijn spullen uit en koos het bed links achterin. Ik was in
Libanon.
De eerste dagen waren wennen en kennismaken. Toen begon het meelopen
met de oude hap en de wadi’s in. Hoewel ik een bere-conditie had kon
ik die kerels nauwelijks bijhouden. Ik strompelde vloekend de
berghellingen af maar liet niets merken natuurlijk. Wat een tempo
hadden die mannen over de puntige rotsen en losse stenen. Effe
uitproberen natuurlijk. Maar we waren stoer en beten op onze tanden.
Weer kwam daar die kameraadschap, door om beurten de MAG of de radio
te dragen. Na verloop van tijd ging het beter, toen makkelijk en
daarna werd het routine. Onze MAG schutter droeg kruislings
patroonbanden, ook heel stoer natuurlijk. Ik had mazzel en had
alleen een Browning en een Uzi. De regentijd brak aan en we kregen
allemaal camouflage regenpakken uitgereikt. Onze CSM was een Indo
die nog in Korea had gediend, bij die eerste vredesmissie. Wat een
kerel. Wanneer je straf had kon je ook tegen hem boksen. Hij zei
altijd dat rang dan niet telde en als je kon, hem op zijn bek mocht
slaan. Heb het nooit mee mogen maken.
Na een maand kreeg je wat meer zelfvertrouwen en begon het dagelijks
leven wat dragelijker te worden. En toen werd ik tijdelijk
overgeplaatst naar een andere post, Post 7-19. Daar werden we
gelegerd in boogtenten, niet echt geweldig. (Hier heb ik mijn
chronische afkeer voor kamperen opgelopen). Na 3 weken saai
wachtlopen konden we eindelijk naar Post 7-23. En meteen aan het
werk, want behalve een paar pre-fabs was er niets. De bouwvakkers
onder ons gingen meteen aan de slag. Betonplaten storten, als
fundering voor de bartent en de voorraad tent. En voor het
aggregaat. We bouwden een wachthuisje en een slagboom. Ik had het
hier ondanks de ellende die later volgde enorm naar mijn zin. Het
verschil tussen de rangen vervaagde, ook tussen ons en de ‘beroeps’.
Alleen mijn mede Veteranen, oud en jong, kennen dit gevoel. We
zouden letterlijk voor elkaar door het vuur gaan. Ik heb toen een
onderlinge verbintenis gekend die ik nooit meer heb mogen ervaren.
Daardoor konden we alles aan.
| |
Klik op het blauwe logo
voor mijn website >>>> |
 |
|
|