TAMUAN (39), SEPTEMBER 1945.
Het kamp stond nog steeds onder Japanse bewaking en niemand mocht
het kamp uit. Toen ik het kamp binnenkwam, werd ik door collega's
van de marine opgevangen. Het kamp was overvol, maar ze waren
allemaal iets ingeschoven, zodat er voor mij een ligplaats was. Dit
was dan ook het enige wat ik nodig had. Hoe het allemaal verder is
gegaan weet ik niet.
Toen ik wakker werd leefde ik in een
roes. Tussen 2 mannen moest ik mee naar de keuken en kreeg daar
bouillon en rijst met groente, vlees en gebakken eieren en ik hoorde
alleen maar "drinken, drinken" en daarna "eten,
eten" roepen. Langzaam drong het tot mij door, dat de oorlog
was afgelopen. Ik was alle begrip van tijd kwijt en vroeg me af wat
voor dag het was. l2 September 1945 ruim 2 1/2 jaar nadat we uit
Singapore waren vertrokken. 2 1/2 Jaar lange werkdagen met
onmenselijk zware handarbeid en altijd maar spiedo spiedo want het
ging nooit vlug genoeg. 2 1/2 Jaar ellende, honger, mishandeling,
ziekten, geplaag door wand en witte luizen nee laat ik maar ophouden
want het is met geen pen te beschrijven hoe verschrikkelijk het
was.
Ik vroeg of m'n vriend, marinier
Stottelaar ook in dit kamp zat.
Hij was wel in dit kamp geweest, maar was helaas op de dag van de
capitulatie overleden.
Dit maakte me erg verdrietig. Nu 50 jaar later hoor ik hem nog
zingen.
M'n slapie was een onderofficier van de marine. Hij was hoofd van de
keuken. Zoals in ieder kamp waarin ik heb gezeten, was er ook hier
een bijzondere band met de marinemannen onderling. Dit sluit niet
uit dat ik ook altijd veel vrienden had van het KNIL (Koninklijk
Neder- lands Indisch Leger) en in het bijzonder onder de Indische
mannen.
Van het kamp weet ik me niets meer te herinneren. Wel hebben enkele
gebeurtenissen indruk op me gemaakt. Zo kwam er een jeep met
gewapende Engelse parachutisten met een heel jonge kapitein het kamp
binnen, die de Japanse commandant wilde spreken. Hierna werd de
algemene leiding over het kamp door onze officieren overgenomen. De
bewaking bleef in Japanse handen en diende tot onze bescherming.
Andere gebeurtenissen zijn, dat grote geallieerde vliegtuigen met
veel lawaai overvlogen en boven het voetbalveld parachutes met grote
pakken afwierpen.
Hierna kregen we "het zakje van
Lady Mount Batten" (rode kruis) met toiletartikelen etc. en
tinnetjes Churchman sigaretten. De parachutes moesten ingeleverd
worden, omdat die terug moesten. Er ontstond grote ontevredenheid,
toen enkele dagen later officieren witte pyama's en shirts van
parachutestof droegen. Hierna verdwenen er regelmatig
parachutes.
Mijn gezondheid was erg slecht en ik was erg zwak. Toen ik nog maar
kort in dit kamp was, werd ik op transport gesteld naar een
ziekenkamp. Hoe ik daarheen gebracht of gereisd ben weet ik niet.
Nakhom Pathon (5),
Oktober 1945.
Het was een enorm groot
kamp. De baleh balehs waren van planken waarop je altijd beter lag
dan op die knobbelige bamboe's. Er werd regelmatig gespoten,
waardoor we verlost waren van koetoes (ongedierte). Het werd gedaan
door de Japanners onder leiding van ex-krijgs- gevangenen, waarbij
het verboden was Japanners te slaan. We kregen regelmatig een heel
klein voorschot van ons loon, wat werd aangetekend in je "green
pay boekje", dat je altijd bij je droeg. De zieken waren
ingedeeld in, klassen t.w. A, B, C en D.
Nadat ik gekeurd was werd ik
ingedeeld in de klasse van mensen, die niet ziek waren, maar niet
mochten werken.! M'n bloeddruk was veel te laag. Het eten was
voldoende, maar ook niet meer dan dat. Al met al was het een goed
kamp met goede verzorging e' waar altijd alles goed geregeld was.
Buiten de zgn. diensttijden mochten we het kamp uit. De bewaking en
de M.P. werd verzorgd door niet in de klassen A, B, C of D
ingedeelde mannen. Tot m'n grote blijdschap hadden Toon v.d. Burg en
Huib Gelderblom de ellende overleefd en waren al eerder naar dit
kamp overgebracht. Toon lag in de hospitaalbarak nog steeds met die
grote ulcer en kon niet lopen. Huib liep gewoon rond.
Het kamp lag een behoorlijk eind
lopen van de bewoonde wereld. Langs de weg naar de stad stonden veel
kramen waar allerlei soorten eten verkocht werd. Over een
gebeeldhouwde stenen brug kwamen we in de hoofdstraat van dit
prachtige stadje met de hoogste (115 m) pagode van Thailand. De
brede stenen trappen, die naar het plateau voerden, waarop de pagode
was gebouwd, lagen recht tegenover de hoofdstraat. Vanaf de brug zag
je in een nis het 40 m hoge, staande gouden boedahbeeld. Je kon rond
de pagode lopen en de verschil- lende zalen in de pagode binnengaan.
In iedere zaal was één groot gouden boedahbeeld in verschillende
posities. Bijv. biddend, zittend op de grond met opgetrokken knieën
resp. liggend met één hand onder het hoofd. Uit heel Thailand
kwamen ze hier offeren (goud) en bidden.
Vele malen heb ik daar rondgelopen.
Ik liep dikwijls over de straat langs de kalie. Hier woonden, in
voor mijn gevoel krotachtige huizen, veel Chinesche ambachtslieden.
In het begin had ik hier, voor een paar tinnetjes sigaretten, een
paar lage zwarte schoenen laten maken en later een kaki shirt en een
marinebaret. De foto' s van de bruggen van de Burma spoorlijn had ik
ook hier gekocht. De Chinese families kenden me en ik kreeg altijd
wel ergens iets te drinken. In het oude Chinese restaurantje ging ik
ook wel eens eten. Ze hadden altijd wel iets aparts. Vraag me niet
wat het was, maar het was allemaal erg lekker en niet duur. Waar ik
kwam vroegen ze altijd naar sigaretten en ze betaalden er goed
voor.
Er was in het centrum een oud gebouw
met een zaal en een bar. Op het podium zat een band, die veelal
bekende westerse liedjes speelde. Er werd daar erg veel gedronken en
gezongen. Ik heb daar ook het nodige achterover geslagen. Maar wat
wil je na zoveel jaren ellende en met geld waar je verder niet veel
mee kon doen. Wanneer ik ‘s avonds naar het kamp terug liep, ging
ik altijd lekker eten bij één van de etenskramen langs de weg. Een
gerecht met hagedissen was favoriet bij me.
Ik schreef regelmatig naar huis.
Eindelijk na lange tijd kreeg ik een brief van m'n moeder. Het was
een opluchting te horen, dat ze allemaal de oorlog hadden overleefd.
Wel was m'n ex meisje, Nel van Doorn, overleden. In Indië had ik al
bericht gekregen, dat Nel de verkering niet zo serieus had genomen.
Bij Piet en m'n zus werd het tweede kind verwacht. M'n broer Bert
was in de oorlog via de Biesbos uit Nederland weggekomen en had met
de stoottroepen meegevochten bij de bevrijding van Nederland. Hij
zat nu met z'n onderdeel in Indië. Dezelfde week kreeg ik via het
Rode Kruis een briefje van Bert. De stoottroepen waren op Malakka
gestald, omdat ze van de Engelsen niet in Indië aan land mochten.
Zondag's was er altijd een
kerkdienst. Na een dienst waarin Paul Thieme had gepreekt, werd
gevraagd of we even wilden wachten. Ds. Mak vertelde toen dat hij
een droevig bericht uit Nederland had ontvangen.
Er had een scheuring plaatsgevonden in de Gereformeerde kerken. Ds.
Oranje vroeg aan ons om in ieder geval in Siam de eenheid te
bewaren.
In het kamp heb ik een keer een
cabaretvoorstelling bijgewoond van het bekende artiesten echtpaar
Win Kan en zijn veel kleinere vrouw Corrie Vonk, die van Java was
overgevlogen. Hij begon toen "Wij zijn herenigd. Corrie is
gelukkig en ik kan m'n leed weer overzien" waarbij hij met z'n
hand boven z'n ogen over de kleine Corrie de zaal inkeek.
Ook herinner ik me nog iets van een liedje: Ik wil een railway man,
met of zonder tjawat an, dat hindert niet, dat hindert niet. Geen
A,B,C of D, maar één van het strontcorvee. Dat hindert niet enz.
Al vrij vlug verbeterde m'n conditie
en wilde weer wat gaan uitvoeren.
Ik kreeg de leiding over 3 Jappen, die werkzaamheden moesten doen in
en om de officiers- barakken. Ik had me voorgenomen om de Jappen te
laten zien, hoe je met gevangenen om moet gaan. Door een streep
onder de oorlog te zetten, was voor mij de oorlog afgelopen. Opnieuw
een wereld opbouwen zonder oorlog, waar geen plaats meer is voor
haat.
Bij de officieren hadden de
hofmeesters altijd iets extra's ingekocht en klaargemaakt voor de
maaltijden en daar deelde ik in mee. Nadat de officieren hadden
gegeten ging ik, alvorens de afwas te laten doen, met de Jappen eten
en deelde alles. Alhoewel het moeilijk was, lukte het toch met
handen en voeten en de woorden, die ik in de afgelopen jaren had
opgepikt om een serieus gesprek te voeren. Het waren goede momenten
en mijn Jappen zullen zeker mijn gesprekken aan hun kinderen en
kleinkinderen hebben doorverteld. Er was één Jap, die steeds met
z'n collega's overhoop lag en zich tegen alles wat westers was
probeerde af te zetten. Na enige dagen ben ik naar m'n collega van
het strontcorvee gegaan en gevraagd of hij een aardige Jap voor mij
had. De volgende morgen bij het Jappenappèl hebben we geruild.
Bij de officieren zat ook Ltz.
Langelaar. Ik meen dat deze jonge officier met het zgn. "Enge-
land Spiel" uit Nederland was weggekomen.
Op een keer vroeg hij me of ik zin had met hem mee te gaan om een
groep Burmanezen, die ook aan de spoorlijn hadden gewerkt, met de
trein over de Burma spoorlijn tot de grens Siam/Burma, te
begeleiden. Ik greep deze unieke kans met beide handen aan. Samen
met een Engels sprekende voorman hadden we de leiding. Zowel meneer
Langelaar, als ik had een grote roterende "Colt" revolver
aan een riem op onze kont hangen, alsof we cowboys waren. Het was
een lange trein met de bekende open wagons, waarop vele honderden
Burmanezen zaten. De spoorlijn werd onderhouden door Japanners.
Onderweg zagen we dikwijls op wisselplaatsen Engelse militairen van
de identificatiedienst. Ze reden met lorries, die door handpomp
bewegingens-overbrenging werd voortbewogen. Op de lorries stonden,
voor ons zgn., theeblikken met stoffelijke overschotten van langs de
spoorlijn begraven krijgs- gevangenen.
In Hindato (198) hadden we een overnachting. Het kamp stond onder
leiding van een Japanse officier, die ons diep buigend kwam
begroeten.
Alles was geregeld voor ontvangst van passanten. Een houten stelling
met een tank erop geplaatst diende als watertoren, waarvoor het
water door de Jappen met de hand werd opgepompt. We sliepen in een
mooi baboe huisje en kregen een eenvoudige goede maaltijd. Kort na
de aankomst was er een groot tumult voor ons huisje. De Burmanezen
gingen te keer alsof er een ramp was gebeurd. De voorman zei, dat
iemand van een lage kaste eerder water had getapt. Ze eisten nieuw
water in de tank. Na overleg met ons zou de voorman de massa te
woord staan. Hij vertelde, dat de Jappen niet voor de volgende dag
water konden oppom- pen en dat wij en de Jappen het water ook
gebruikten. Wanneer ze ander water wilden moesten ze het maar uit de
rivier halen. Morrend dropen ze af.
Toen ik een rondje over het terrein
ging maken kwam een Jap naar mij toe, die mij herkende. Hij maakte
een diepe buiging voor me en wilde me toen een dikke portemonnee
geven. Verbouwereerd gaf ik een klap onder zijn hand, waardoor de
portemonnee eruit viel en het geld rond waaide. Aan z'n gouden
tanden te zien, dacht ik dat het de Jap was uit de keuken waar het
fout ging bij het slachten van de koe. Ik draaide me om en liep weg.
Voor mijn gevoel had ik mezelf bewezen dat ik niet alleen bevrijd
vlas, maar ook de oorlog achter me had gelaten.
Later dacht ik "Het was toch wel
een massa geld", maar dan gelijk weer "Wat zou er van mij
zijn terechtgekomen met al dit geld. Bovendien had ik een streep
onder de oorlog gezet. En ook deze Jap zal mijn reactie op zijn
manier verwerkt en doorverteld hebben.
Hierna sprak ik Engelsen van de
identificatiedienst. Ze waren uit Engeland overgevlogen en moesten
alle begraafplaatsen in kaart brengen, graf voor graf openleggen en
alle resten van een stoffelijk overschot bijeen vergaren, om op een
centrale begraafplaats te worden herbe- graven. De volgende morgen
zijn we direct na het licht worden vertrokken en kwamen nog voor de
middag bij de grens. Toen ik bij m'n terugkomst van de trein
stapte had ik een vol- daan gevoel van "Dat was het".
De Engelsen en Australiërs werden al kort na de bevrijding
successievelijk naar hun land teruggebracht. Aan het eind van 1945
waren er nog uitsluitend Nederlanders in het kamp.
De vrouwen van de ex krijgsgevangenen zouden met hun kinderen uit
Indonesië naar Siam komen. Een gedeelte van ons kamp, dat door
vertrek van de geallieerde collega' s was vrijgekomen werd afgezet
en kreeg de naam Prins Bernhardkamp.
De dag voor Kerst kwamen de vrouwen en werden die gezinnen herenigd.
Hierna heb ik veel gewandeld met de 2 kinderen van Ltz. IJ.de Boer.
Eind december 1945 werden we gekeurd om te zien, wie er geschikt
waren om te vliegen. Ik werd tot m'n grote teleurstelling afgekeurd,
omdat m'n bloeddruk nog veel te laag was. Kort hierna werd er
medegedeeld, , dat er een Nederlands oorlogsschip onderweg was naar
Siam om ex. krijgsgevangen marinemannen op te halen. Ik had weer het
geluk, want mijn naam stond op de lijst. Ook Huib was erbij. Het is
niet op papier tot uitdrukking te brengen, hoe dankbaar en blij ik
was, toen ik op een vrachtauto het kamp achter me liet. Op de kade
van Bangkok zag ik in de verte op de rede onze Tromp liggen. Met een
motorbootje werden we erheen gevaren.