|
De
kleine zeeoorlog in het Kanaal
Bron: Wapenbroeders 21 juli 1949
- mei 2000 George J.
Visser (IMH)
Een Nederlandse
marine-vlieger kreeg gedurende de oorlogsjaren een opdracht in Nederland uit te voeren.
Toen hij terugkwam in Engeland en over zijn niet alledaagse tocht vertelde in gezelschap
van verschillende jonge officieren van de motortorpedoboten, kreeg hij de uitnodiging om
een tochtje mee te maken.
Het leek de marine-vlieger wel interessant en er werd afgesproken, dat hij een raid op de
Belgische en Hollandse kust mee zou maken.
De vlieger ging varen en hieronder vertelt hij wat gebeurde. Zijn verhaal geeft een
goede kijk op het moeilijke werk van de mannen op de motortorpedoboten.
Om ongeveer 11 uur 's avonds vertrokken wij uit de
haven van Felixstowe met 3 boten; ik zat aan boord bij de leider van het flottielje. Het
was een prachtige nacht voor ons doel, met een lichte nevel op het water, halve maan en
heldere lucht. Buiten de havenversperring gekomen werd in het begin volle kracht gedraaid
vanwege de accoustische mijnen, die door de Duitsers in de vaargeul onder de kust waren
gelegd De topsnelheid van de boten was ongeveer 33 mijl en wanneer men bij deze vaart over
een accoustische mijn voer, was men bij de ontploffing meestal ver genoeg verwijderd om
het er levend van af te brengen.
Eenmaal buiten, op zee, werd geminderd tot ongeveer 20 mijl en werd koers gezet op de
Franse kust, bij Nieuwpoort. De overtocht verliep zonder enige bijzondere belevenissen.
Even bezuiden Nieuwpoort liepen wij de kust aan en met langzaam draaiende motoren, z.g. op
sluipvaart, werd onder de kust koers gezet om de Noord. Bij het aanlopen van de kust
werden wij blijkbaar gehoord door de Duitsers, die ons met zoeklichten probeerden te
vinden en daarbij eerst het luchtruim afzochten, waarschijnlijk denkende, dat het geluid
van vliegtuigen afkomstig was.
Langzaam draaiden de stralen van het zoeklicht echt omlaag en
gezien mijn ervaring als vlieger met dit soort apparaten, leek het mij toe, dat wij
spoedig opgemerkt zoden worden. De nevel boven het water bleek echter dicht genoeg om ons
vanaf de wal volkomen onzichtbaar te doen zijn. Bovendien maakten onze motoren bij geringe
snelheid slechts weinig lawaai, zodat de zoeklichten al spoedig gedoofd werden.
Wij voeren in kiellinie. De boot, waarop ik mij bevond, ging voorop. Na een half uurtje
varen doemde plotseling het silhouet van een schip op in het maanlicht.
Met nog minder vaart slopen de 3 torpedobootjes naderbij en voeren in een grote
boog om het verkende schip heen. Het geheel deed mij denken aan een troep honden,
die snuffelend om een eventuele prooi heensluipen.
Aan boord stond iedereen gespannen op post en het gaf mij een, enigszins hulpeloos gevoel
om er zo als passagier voor spek en bonen bij te staan. Het bleek echter, dat het bewuste
vaartuig het wrak was van een Engelse torpedobootjager, die enige maanden tevoren bij de
evacuatie uit Duinkerken tot zinken was gebracht door Duitse vliegtuigen en thans hoog en
droog op het zand zat. Een tegenvaller, maar wij hadden nog een hele trip voor de boeg. In
dezelfde formatie werd de tocht voortgezet.
Ter hoogte van Ostende gekomen, besloot de flottielje-commmandant het binnenvaarwater te
nemen, waarbij wij zo dicht onder de wal kwamen, dat ik ondanks de betrekkelijke
duisternis en heiigheid , de haven van Ostende duidelijk kon zien.
Ik kreeg indruk, dat men mij echt iets wou laten zien en dat dit
bravourstukje nu niet bepaald nodig was. Erg leuk vond ik het niet, want zonder dit
geloofde ik ook wel in de flinkheid van deze jongens van de vloot.
De Duitse zoeklichten begonnen weer rond te spelen en al spoedig waren er 2 of 3
rechtstreeks op ons gericht. Ik dacht, nu gaat het lieve leventje wel beginnen, doch het
bleek, dat de betrekkelijk kleine en lage scheepjes toch nog voldoende beschutting vonden
in de lichte nevel, die op het water dreef.
Wij voeren thans zo dicht onder de kust, dat men aan boord onbewust ging fluisteren uit
angst, dat men ons van de wal zou horen.
Plotseling praaide een van de uitkijken schip aan bakboord" en direct werd
hierop koers gezet. Dichterbij gekomen bleek het een voor anker liggend schip te zijn van
ongeveer 3 à 400 ton, waarschijnlijk een Duits oorlogsschip, belast met de bewaking van
de mijnenvelden voor Ostende. Blijkbaar had men aan boord onze tegenwoordigheid opgemerkt,
want plotseling werd vuur geopend met een zware mitrailleur, dat echter direct werd
beantwoord met het vuur van alle 8 lichte mitrailleurs, die in 2 torens van 4 aan boord
van onze motortorpedoboot stonden opgesteld. Tegelijkertijd werd besloten een torpedo te
lanceren. De afstand tot het doel werd vergroot, teneinde een behoorlijke aanvalsrun te
maken.
Deze motortorpedoboten behoorden nl. tot een vrij ouderwets type, waarbij 2 torpedo's aan
boord werden meegevoerd, die bevestigd waren op rails aan stuur- en bakboord van het
schip.
Een torpedo-lancering bij dit type boot vond als volgt plaats: met sluipvaart werd
in de richting van het doel gestoomd, terwijl van tevoren de torpedo-bevestiging op de
rails werd los gemaakt
Op bepaalde afstand gekomen werden de motoren op volle kracht gezet en door de
plotselinge snelheids- vermeerdering gleed de torpedo achterwaarts van de rails te water,
waarbij tegelijkertijd roer aan boord werd gegeven om met de boot uit de baan van de
torpedo te komen.
Op deze wijze werd een aanval tegen het vaartuig ingezet. De eerste torpedo miste haar
doel echter. Ondertussen waren de Duitsers vanaf de wal gaan schieten met 40 mm
mitrailleurs en zwaardere anti-luchtkanons. Het was niet de eerste keer, dat er op mij
geschoten werd en dat ik de veelkleurige kogelbanen van de 40 millimeters langs mij heen
zag trekken. Ik had toen echter steeds achter het stuur van mijn vliegtuig gezeten,.
wat je toch min of meer het gevoel geeft je lot in eigen handen te hebben. Thans, als
passagier en werkeloos toeschouwer, miste ik deze zekerheid en vond al dat
geschiet bepaald onaangenaam. Gelukkig ging echter alles ver over en naast.
Een tweede aanval werd ingezet en op de goede koers en afstand werd volle kracht gegeven,
waarbij de torpedo achterwaarts te water gleed. Met roer aan bakboord draaide de boot
tegelijker!ijd af, maar nog voor 90° van koers veranderd was, in mijn herinnering slechts
enkele ogenblikken na het lanceren van de torpedo, vond een zware ontploffing plaats, vlak
achter ons, waarbij practisch ons gehele achterschip uit elkaar geslagen werd.
Ik stond op dat ogenblik in de afgang naar de kajuit en sloeg met mijn hoofd
tegen het dek. Enigszins versuft begreep ik niet precies wat er gebeurde, maar ik
kreeg de indruk dat het achterschip was geraakt door een Duitse granaat en wij
tegelijkertijd tegen een muur waren gevaren. De boot lag ogenblikkelijk gestopt met het
achterschip onder water, de neus omhoog.
In enigszins versufte toestand, waarschijnlijk als reactie vanwege de helling die de
boot had aangenomen, klom ik tegen het schuin liggende dek omhoog en op de neus
gekomen, klaarde mijn hoofd weer wat op.
Om. mij heen kijkend, zag ik een van de andere boten langszij komen. Men wierp een
trosje over, dat ik opving en om een van de bolders legde. De commandant van onze
boot kwam wat nerveus op mij af en drong er op aan, dat ik het eerst van boord zou
gaan. Van zijn standpunt bekeken volkomen juist, aangezien hij in grote moeilijkheden zou
geraken, wanneer hij zonder mij naar zijn basis zou terugkeren. Officieel was ik
niet aan boord en dus moeilijk als vermist of gedood af te schrijven.
Mijn brein was echter nog steeds niet volkomen helder en het enige, wat bij
mij opkwam, was dat bij een schipbreuk vrouwen en kinderen het eerst van boord
gingen. Ik verzette mij dus tegen de wens van de commandant en ging terug naar het
achterschip, waar een matroos knijp zat tussen het restant van de sloep en het dek.
Ondertussen zwommen en dreven enige leden van onze bemanning, in het water rond, die door
de derde motortorpedoboot werden opgepikt. Het bleek, dat niemand vermist werd en slechts
enkelen licht gewond waren. Met de commandant stapte ik tenslotte aan boord van het andere
vaartuig in de veronderstelling, dat wij er nu zo spoedig mogelijk van door zouden gaan.
Het bleek echter, dat in de kajuit van het wrak verschillende geheime papieren waren
opgeborgen en dat de houten boot, ondanks de beschadigingen, niet zonk. Het was echter
niet mogelijk naar binnen te gaan, omdat de toegang tot de kajuit ander water stond. Met
handgranaten en mitrailleurs werd getracht het wrak tot zinken. te brengen, dat echter
weinig neiging vertoonde om op de bodem te gaan liggen.
Door al dat vuurwerk kregen de Duitsers aan de wal ons hoe langer hoe beter op de
korrel en ik begon de toestand vrij onaangenaarn te vinden. Bovendien merkten we een
vaartuig op, waarschijnlijk een Duitse torpedobootjager, die uit de haven van Ostende naar
buiten kwam. De tijd was gekomen om dit brandpunt van belangstelling vaarwel te zeggen en
met volle kracht werd dan ook koers op Engeland gezet, waarbij al spoedig het Duitse schip
uit het gezicht verdween.
Om van de schrik te bekomen, kregen wij in de kajuit een glaasje rum. Zonder verdere
moeilijk- heden bereikten wíj de overkant, helaas echter met 2 i.p.v. 3
schepen.
Gedurende de terugtocht waren al enige veronderstellingen opgeworpen, wat ons nu eigenlijk
getroffen had. Enkelen dachten, zoals ik, direct aan een ontploffing van onze eigen
torpedo achter het schip. Anderen spraken over een mijn, of een ontplofte granaat vlak
achter ons in het water. Wat het nu precies geweest was, konden wij echter niet
vaststellen.
Enige maanden later sprak ik mijn gastheer nog eens, die mij vertelde dat de gehele zaak
door de Admiraliteit was onderzocht. De experts waren inderdaad tot de conclusie gekomen,
dat wij door onze eigen torpedo tot zinken waren gebracht.
Een torpedo wordt n.l. afgesteld op een bepaalde diepte doch maakt in het begin van zijn
baan wel eens een gier naar beneden. Zeer waarschijnlijk was nu de torpedo, kort na het
lanceren., in haar duik tegen de steile wand van het vaartuig gekomen en ontploft.
Zoals gebruikelijk bij de Britse marine, kreeg de bemanning van het verloren gegane schip
14 dagen verlof.
Daar ik als passagier natuurlijk geen aanspraak op verlof kon maken, bleek het glaasje
rhum het enige extratje voor mij.
In het algemeen zij nog vermeld, dat de Engelsen dit onderdeel van hun vloot, de
motortorpedo- boten, de laatste jaren voor de oorlog zeer hadden verwaarloosd en slechts
enkele ouderwetse scheepjes tot hun beschikking hadden. De Duitsers daarentegen hadden in
deze periode reeds de beschikking over een groot aantal zeer moderne en snelle
motortorpedoboten, in Engeland bekend als E-boten, waarmee zij de geallieerde convooien
onder de Engelse kust belangrijke schade toebrachten.
Van onze kant kon toen nog weinig gedaan worden om de Duitse
scheepvaart langs het vasteland van Europa te belemmeren, hetgeen voor de Duitse
oorlogvoering een groot voordeel was. Er werd dan ook met volle kracht begonnen. met
een aanbouw- programma van moderne motortorpedo- boten, waarmee echter pas in de tweede
helft van de oorlog successen werden behaald en waarbij ook Nederlandse bemanningen van
zich deden spreken.
|