|
Drie
Oorlogsjaren a/b Hrms “Soemba” December
1941-Augustus 1944 (1)
Een terugblik
door E.R.Filon
1924 : Kiellegging Hrms “Soemba”.
Daags voor Kerstmis 1924 werd bij Wiltons
Scheepswerf en machinefabriek te Rotterdam
de kiel gelegd van Hrms “Soemba”. Precies 17
jaren later, 24 December 1941,werd ik, na
voltooing van mijn matrozenopleiding, a/b
Hrms “Soemba” , geplaatst.
Met haar heb ik vele stormen en acties
meegemaakt zoals, in de Riouw
Archipel,Straat Soenda,Perzische
Golf,Middelandse Zee Convoijen
escorteren,landingen Sicilie,Salerno,Anzio
en tenslotte Normandie.
Eenmaal gingen we op persoonlijke
wraakactie. Onze commandant Kltz.
J.J.M.Sterkenburg sneuvelde op 5 Augustus
1943 toen het schip onder de kust van
Sicilie door Duitse tanks onder vuur werd
genomen. Vier dagen later ,nadat de brug
door de Technische dienst (de koude boel)
provisorisch was hersteld,zocht Hrms
“Soemba” onder commando van waarnemend
commandant Ltz. A.van Miert ,nabij Catania,
vuurcontact met Duitse treinbatterijen. Een
daarvan werd na een hevig artillerieduel
vernietigd.
Hoe ik deze oorlogsjaren samen met
Hrms”Soemba” en haar unieke gemengde
bemanning (Hollanders,Indische
jongens,Indonesiers) beleefde nu ,62 jaar
terug in de tijd,kunt U lezen in de hierna
volgende terugblik op drie lange
oorlogsjaren.
Wat vooraf ging : School en aanmelden
Koninklijke Marine.
November 1940. Ik zat in de 3de klas van de
Koningin Wilhelmina School (Soort Middelbaar
Technische School) in Batavia. Mijn
rapportcijfers waren niet slecht,toch wilde
ik weg van het schoolleven en meldde mij op
het Departement van Marine te Batavia voor
dienstname bij de Zeemacht . Na het
eindeloos invullen van formulieren en een
diepgaand antecendentenonderzoek was het
zover dat ik uitgenodigd werd voor een
gesprek met de wervingsambtenaar. Wat nu een
“interview” wordt genoemd.
Wat ik me vooral van dat gesprek herinner is
het onderwerp “Dienstverband”. Was voor ons
Indische jongens, het “Over en weer dienen”
eerst niet toegestaan,nu was dat wel
mogelijk.Dat wilde zeggen .met dezelfde
rechten en vooral plichten als de Hollandse
Jongens en derhalve ook met dezelfde
salariering. Ofschoon de wervingsambtenaar
het verschil in wedde probeerde te
rechtvaardigen door te zeggen dat zij die
uit Nederland werden uitgezonden moesten
wennen aan klimaat ,eten,van huis zijn, meer
ontberingen !! terwijl wij hier “Thuis”
zijn, dacht ik toch “Eindelijk
gerechigheid”,deden we niet hetzelfde werk
onder dezelfde omstandigheden ? Volgens
hem,bofte ik toch maar met deze nieuwe
regeling.!! Ik kreeg mijn vrijvervoer naar
Soerabaja voor het geneeskundig onderzoek .
Na goedkeuring volgden drie maanden
proeftijd in de eerste militaire vorming
(EMV),kom je deze periode goed door dan
teken je voor 6 jaar,of je ging terug naar
huis,op eigen verzoek of je werd voor wat
voor reden dan ook gewoon uit de opleiding
verwijderd.
14 Februari-14 Mei 1941.
Soerabaja Marinierskazerne “Goebeng”.
Na een nachtelijke treinreis Batavia
–Soerabaja (760 Kilometer) meldde ik me
begin Februari 1941 aan de poort van de
Marinierskazerne “Goebeng” . De schildwacht
,een stoere marinier,zette grote ogen op
toen hij me zag binnenwandelen. Ik zag hem
denken”Wat moet dat kleine kereltje hier nu
doen?” De onderofficier van de wacht stuurde
me door naar de ziekenboeg . Hier waren al
vele wachtenden voor me en er kwamen nog
vele na mij. Gedurende enkele dagen werden
we geneeskundig binnenste buiten
gekeerd,waarna de uitslag kwam. Ik werd
goedgekeurd met nog 22 andere “Lotgenoten”
waaronder zes zonen van uitgezonden
onderofficieren ,van huis uit dus bekend met
het marineleven.
In de stand van lichtmatroos begonnen we aan
onze EMV,geplaatst op de rol van de
marinierskazerne “Goebeng” met toekenning
“Eener aanvangsbezoldiging van Hfl. 0.70
(zeventig cent) per dag a/b” zoals het
plechtig staat geschreven in mijn akte van
aanstelling in den Rijkszeedienst. Van dit
vorstelijke salaris ging nog eens Hfl. 4 af
ter voldoening van je plunjeschuld. Netto
dus 17 harde Nederlands Indische guldens in
het handje .
Dit geld werd voor ontspanning besteed aan
de bioscoop en aangezien we nog niet gewend
waren aan de Hollandse kost (dat wennen
duurde nog wel even)gingen wij vaker aan de
wal eten. In restaurant “Saderhana” kwam je
al voor Hfl.0.25 (een kwartje) goed aan je
trekken en voor het zelfde tarief zat je in
de bios prinsheerlijk ”Loge”. De week-ends
bracht ik door bij de gastvrije en zorgzame
Familie Hakkenberg. Zij en zoon George (MWO)
hielpen me door deze moeilijke tijd heen en
dankzij hen overwon ik grotendeels mijn
heimwee naar huis en Familie in Buitenzorg.
De EMV bij de Mariniers was zwaar. Een keer
op baksgewijs viel ik van vermoeidheid
gewoon om (of kwam het door dat zware
mainlicher geweer van 1890 ?).
Waarschijnlijk was de roeiles op de
bloedhete achtermiddag op de Kali Mas
,waarbij ik ook nog slagroeier was,te veel
geweest van het
goede.Landingsdivisie,geweergymastiek,les
infanterie,schildwacht lopen 2 uur op 4 uur
af,het hoorde allemaal bij je EMV. Op een
enkeling na kwamen we gezond door deze
vermoeiende ,maar leerzame periode. We
tekenden voor zes jaar jaar waarna onze
echte matrozen opleiding aan boord
Hrms”Soerabaja” de voormalige “Zeven
Provincien” kon beginnen.
14 Mei 1941-20 December 1941
Matrozenopleiding HrMs “Soerabaja”
De opleiding zou 1 jaar duren,waarna
je,goede resultaten voor behouden,werd
verheven in de stand van matroos der derde
klasse. Het lesrooster vermeldde naast de
militaire en zeemansvakken ook les in
armseinen. Weliswaar het Nederlandse
seinstelsel. Niemand had kunnen bevroeden
dat we een jaar later moesten overstappen op
de Engels-Amerikaanse procedures en wij ons
eigen systeem weer konden vergeten. Met
allerlei ezelsbruggetjes leerden we de
verschillende armseinstanden. A-E-O-U stond
voor Alle Engelen Onder U. En B-H-N-T Boer
Hein Niet Thuis. Men had voor de N en T ook
een andere wat groffere vertaling,die ik
hier niet kan herhalen. Het
zeilen,roeien,sloep hijsen.loden,wrikken
splitsen en knopen werd ons in de praktijk
bijgebracht. Daarnaast deden we ook dienst
als zeuntje. Een eervolle en
verantwoordelijke baan,je moest toch iedere
dag zorgen dat de (baks)tafel gereed was
voor het ontbijt ,middag en avond eten,je
was de hele dag hiermee bezig van smorgens
0530 tot s’avonds 2000 ,kooien af. Enig
lichtpuntje,je was vrij van wacht.
Plunjewassen op Maandag en Donderdag ,lappen
en naaien op Vrijdag. Dit “Huishoudelijk
werk” droeg veel bij tot je vorming en
zelfstandigheid. In feite werd in deze
opleiding de basis gelegd voor je verdere
functioneren bij de Koninklijke Marine en
wellicht ook je leven.
Maanden gingen voorbij. Op werkdagen
buitengaats en de week-ends binnen,tot dat
begin Oktober 1941 aan deze routine een
einde kwam. Die dag geen lessen volgens
rooster,maar alle hens aan dek voor het
aanboord nemen van oorlogsmateriaal voor het
KNIL en Australie. We varen naar de Kleine
Soenda eilanden,door nauwe vaarwateren,langs
zeer dichte begroeiing waarbij je het
geblaterde zo kon vastpakken,waarna het
schip in een beschutte baai voor anker ging.
Oplopen in het nabijgelegen dorpje,gastvrije
en vriendelijke
dorpsbewoners,motorsloepvaren,zeewacht en de
lessen die gewoon doorgingen. Allemaal
flitsen uit het grijze verleden,in mijn
geheugen gegrift evenals het dagelijkse menu
dat bestond uit rijst,stokvis of rotmog.Nu
nog kan ik maar moeilijk voedsel uit blik
nuttigen.De onaangename wat weeige lucht die
je toen tegemoet kwam bij het openen van
zo’n blik nassi bijv. Is niet meer uit mijn
geheugen te bannen.
Geen van ons wist dat de oorlog met Japan
voor de deur stond,we waren teveel met onze
opleiding bezig . Het was op de dagwacht dat
ik afgelost werd als uitkijk kraaiennest,
hoog in de mast en hoorde dat Pearl Harbour
door de Jappen was gebombardeerd. Nederland
was in oorlog met Japan.Onze Zeemacht was
paraat en alle schepen op zee lagen op hun
vooruitgeschoven posities. Al weken voeren
we in de buurt van het eiland Timor . Op 15
December 1941 ankerde het schip voor
Koepang,de hoofdstad van Nederlans Timor. In
die tijd bestond het eiland uit 2
gedeelten,een Nederlands deel en een
gedeelte onder Portugees bestuur.
S’nachts scheepten 200 man KNIL en 200
Ausies zich in,waarna we opstoomden naar
Dillij de hoofdstad van Portugees Timor .
Het vliegveld werd door onze troepen bezet .
De landingen werden uitgevoerd door
B2-sloepen bemand door matrozen van de
opleiding . De roeilessen op de Kali Mas en
de binnenhaven van Soerabaja waren dus niet
voor niets geweest. Terugkijkend op deze
operatie is het bijna niet te geloven dat we
400 man plus volledige uitrusting met
roeisloepen aan wal brachten,maar het is
waar gebeurd. Na deze succesvol verlopen
operatie keerde Hrms “Soerabaja” terug naar
de Marinebasis Soerabaja.Onder druk van de
oorlogsomstandigheden was besloten de
matrozenopleiding te bekorten . Op onze
“thuisreis” deden we examens ,waarna we ons
bijna matroos der derde klasse mochten
noemen.
Terug in Soerabaja werden we allen
overgeplaatst en verdeeld over de
verschillende schepen van het Doorman
eskader zoals Hrms”de Ruijter” “Java” en de
torpedobootjagers. Vriend Hakkenberg ging
naar Hrms “Kortenaer” terwijl voor mij en 5
andere klasgenoten een ander schip was
weggelegd,Hrms “Soemba”.Ik weet het nog als
de dag van gisteren.
Op een regenachtige voormiddag van de 24e
December 1941 stapten we aan boord ,nu in de
echte wereld die Marine heet,onbewust van
het feit dat dit schip de volgende 3
oorlogsjaren ons thuis zou worden.
Nog diezelfde dag op de Platvoet-wacht
gingen we naar zee richting Riouw
Archipel,onder commando van KLTZ
Huijer,bijgenaamd Jan Telor. Vraag mij niet
waar hij die koosnaam aan te danken heeft,ik
weet het niet. Mijn loopbaan a/b Hrms
“Soemba” was begonnen.
24 December 1941 – Augustus 1944.
Aan boord Hrms “Soemba:
De eerste weken speelden mijn werkzaamheden
zich voornamelijk benedendeks af,als
dienstdoend bakszeuntje.Daarna werk ik
ingedeeld bij de geschutsbemanning van Kanon
1 op de bak.”Volgbakser kanon 1” stond er op
mijn rolkaart,een zeer verantwoordelijke
functie.Gezeten op een stoeltje moest ik
door middel van een wiel,dat ook het kanon
van Stuurboord naar Bakboord bewoog en
omgekeerd,een wijzer in dekking brengen met
de moederwijzer die vanuit het seinstation
werd gestuurd. Aan de andere kant van het
kanon zat de “volgvluchter” met dezelfde
procedure ,maar hij bewoog het kanon in op
en neerwaartse beweging. Zodoende konden
alle 3 kanonnen van 15 cm gelijktijdig door
middel van de centrale vuurleiding op het
doel gericht worden. Voorwaar in die tijd
een hoogstaand technisch snufje.
Op de vrije nachtgasten na liepen we allen
oorlogswacht. Er werd heel wat van ons
gevergd,nl. De hele nacht van avond tot
ochtend alarm wakend bij je alarmpositie
doorbrengen. Overdag kwam je bijna niet aan
slapen toe ,omdat ook dan ,onverwachts het
alarm ging. Zo patrouilleerden we in Januari
1942 eerst in de Riouw Archipel en later in
Straat Soenda.
In de nacht van 24 op 25 Februari 1942 werd
Oosthaven vanaf zeer korte afstand
beschoten. Met onze drie 15 cm kanons
vernietigden we de haveninstallaties.
Goedangs en olietanks werden in brand
geschoten. Voor mij als 17 jarige volgbakser
van kanon 1 een zeer emotionele ervaring om
dit van zeer nabij mee te maken. De nacht
daarna lagen we voor anker ,ergens onder de
zuidwal van Sumatra. Ook nu hielden wij, de
voltallige geschutsbemanning ,de wacht bij
kanon 1. Het zal ergens aan het eind van de
eerste wacht geweest zijn,dat ik door de
korporaal –geschutskonstable naar het
verblijf werd gestuurd om wat bestek op te
halen.
De kok had nassi-goreng uit blik warm
gemaakt,zoals reeds gezegd ,in die dagen
niet bepaald een delicatesse. Ik daalde de
trappen af van het manschappenverblijf in de
midscheeps,waar een serene rust heerste. De
enkele vrije nachtgasten die vredig in hun
hangmatten lagen te slapen ,het halfduister
en het monotome gezoem van de
scheepsmotoren,maakten dat ik opeens heel
moe en slaperig werd. Een lege bakstafel was
een uitnodiging om even mijn moede ledematen
te strekken. “Even liggen “ dacht ik in een
flits en voordat ik het wist lag ik gestrekt
en in dromenland.
Dit duurde niet lang . Ruw werd ik uit mijn
diepe slaap gewekt door de korporaal
geschutskonstabel ,die kwam kijken waar ik
bleef. Logisch,ik werd op Parade geslingerd.
Slapen tijdens de wacht in oorlogstijd,dat
was het ergste wat je kon doen. Dat zou
krijgsraad worden.
Op de namiddag van de 27e Februari moest ik
op parade komen bij de eerste officier .
Ltz.1 Dobbenga. Voor mijn verdediging had ik
niets aan te voeren. Ik besefte en wist heel
goed dat ik fout was geweest. Tot mijn geluk
echter, nam de eerste officier mijn zeer
jeugdige leeftijd in aanmerking evenals mijn
tot dan goed functioneren en zodoende kwam
ik er met een schrobbering van af.
Het gesprek was nauwelijks ten einde,of daar
ging het luchtalarm. De eerste officier
haastte zich naar de brug en ik repte me
naar het manschappenverblijf,onze
uitwijkplaats bij luchtalarm ,voor niet
ingedeelden.We werden gebombardeerd door 3
Japanse jagerbommenwerpers. We vuurden terug
met alles wat we in huis hadden,maar dat was
niet bar veel. Zegge en schrijve twee
mitrailleurs van 12.7 mm en het 7.5cm
luchtdoelkanon. De afgeworpen bommen troffen
gelukkig geen doel,maar Jan van der Wel,
mijn slapie, en richter van het 7,5 cm
luchtdoelkanon werd zwaar gewond door het
mitrailleur vuur van de Japanse jagers.
Desondanks bleef hij op zijn richtstoel
zitten en doorvuren. Het leek of Jan dit
voorvoeld had,omdat hij ons in in dagelijkse
gesprekken steeds had gezegd,zelfs
gewond,tot het laatst op zijn post te zullen
blijven. Hij is in de ziekenboeg
uiteindelijk aan zijn verwondingen bezweken.
Wij verloren in hem een zeer
plichtsgetrouwe.altijd opgewekte en ook nog
muzikale vriend. In de schaarse uren dat wij
“vrij” waren en voordat wij naar kooi gingen
in een ruimte onder de brug,genaamd de
koebrug, speelde Jan op zijn mondharmocia
Vaderlandse zeemansliedjes. Dit zijn
momenten die ik nimmer vergeten zal.
In aanwezigheid van de gehele bemanning werd
Jan op de eerste wacht van 27 Februari 1942
,vanaf de campagne ,bijgelicht door de volle
maan,aan de golven van Straat Soenda
,toevertrouwd. Aangezien er iemand op post
moest blijven,stond ik daar alleen bij Kanon
1 op de bak.Een korte zeer droevige
ceremonie,die altijd in mijn herinnering zal
blijven. Jan is 19 jaar geworden,
28 Februari 1942.
Nog steeds in open zee Straat Soenda, we
zouden afgelost worden door Hrms
“Evertsen”,maar zij verscheen niet op de
aangegeven tijd en positie.Eerst later werd
bekend dat het schip op weg naar ons schip,
onder de Java wal in Straat Soenda onder
vuur was genomen door twee Japanse
oorlogsschepen en zodanig beschadigd dat de
commandant genoodzaakt was het schip op een
rif van het eiland Seboekoe aan de grond te
zetten. Het schip is daarna door een
vernielingsploeg opgeblazen .
1 Maart 1942.
We bevonden ons ten zuiden van Straat
Soenda,op en neer houdend ,op de lange
golfslag van de Indische Oceaan. Wij
wachtten op een KPM’er die met ons
rendezvous zou maken,maar ook dat schip kwam
niet opdagen.
Het zal ongeveer even voor 12 uur in de
middag geweest zijn dat opeens de stem van
de commandant over de scheepsomroep klonk.
Op dat moment stond ik bij de munitiekoker
van Kanon 1 ,net op het punt om naar het
verblijf te gaan,voor middag schaften.
Gemotioneerd deelde de Cdt. mede dat de
strijd in de Java-zee in ons nadeel was
beslecht . Van het Doorman-eskader waren ten
ondergegaan Hrms. Kruisers “de Ruijter” en
“Java” en begeleidende torpedobootjagers
waaronder Hrms “Kortenaer” en met deze
schepen een groot deel van de bemanning.
Toen was het stil en hoorde ik alleen het
klotsen van de golven tegen de scheepshuid,
ik stond daar heel alleen met mijn gedachten
en liet mijn tranen de vrije loop,in het
besef dat ik velen van mijn matrozen
opleiding waaronder George Hakkenberg(Hrms
“Kortenaer”) wellicht nooit meer terug zou
zien. Als in een droom ging ik voor
middagschaften naar het manschappenverblijf
en het was maar goed ook dat je daarna door
allerlei werkzaamheden zo in beslag werd
genomen dat je geen tijd had om lang stil te
blijven staan bij de ondergang van ons
eskader. Tenslotte waren we nog lang niet
uit de gevarenzone ,we moesten zien dat we
weg kwamen.
De KPM’er kwam niet opdagen en de cdt.
Besloot niet langer te wachten maar op te
stomen naar de Veeckensbaai om olie te laden
uit de marinetanker “Tan 8 “ .Van hieruit
werd de reis naar Colombo voortgezet,waar
Hrms “Soemba” op 10 Maart 1942 behouden
binnenliep.
In de haven lagen vele schepen die de dans
waren ontsprongen,waaronder Hrms
schepen“Willemvander Zaan” “Isaac Sweers”
“Jacob van Heemskerk” enkele onderzeeboten
en koopvaardijschepen.
Op hrms “Heemskerk” was het feest, op dit
schip dienden vele “Indisch Verbanders” van
de Vlissingse opleiding .Zij kregen van de
cdt. Te horen dat hun kadje met
terugwerkende kracht gelijk was getrokken
met de “Over en weer “ dienenden. Het boek
“De kroon op het anker “ zegt hier het
volgende over:
“ De band van vertrouwen tussen voor en
achter de mast lijkt tijdens de oorlog
hechter te zijn geworden, vooral bij
diegenen die aanboord van schepen en
vliegtuigen daadwerkelijk in actie waren en
daarbij van hoog tot laag aan dezelfde
gevaren en ontberingen bloot stonden. Voor
de saamhorigheid onder de schepelingen zal
bevordelijk geweest zijn dat door
maatregelen van de marineleiding bepaalde
scheidslijnen werden uitgewist of
vervaagden. Al in 1940 bepaalden de
marineautoriteiten in Nederlands-Indie dat
schepelingen met Indisch verband en
milliciens naar de categorie van “over en
weer dienend” beroepspersoneel konden
overgaan. Na de val van Nederlands-Indie
werd het verschil in salariering tussen
Europese en Inheemse schepelingen en tussen
milliciens en “beroeps” ongedaan gemaakt .
Met nadruk zij vermeld dat de Indonesche
schepelingen (in die tijd Inlandse
schepelingen genoemd) zich even loijaal en
plichtsgetrouw hebben betoond als hun
Europese collega’s. Ook onder hen zijn er
velen die het offer van hun leven hebben
gegeven.”
Het einde van een vorm van apartheid bij de
Zeemacht dus. Onze Indische stamboeknummers
beginnend met 20 (Voor mij 20415) bleven wij
evenwel tot het einde van de oorlog
behouden, daarna kregen we een marinenummer.
Even terug naar Colombo .De Jappen hadden
Nederlands-Indie veroverd en aan boord
maakten we ons ongerust over het lot van
onze familieleden en het marinepersoneel dat
in Soerabaja was achtergebleven .In de haven
lagen we niet veilig. Berichten spraken van
een spoedige aanval, zodat we eind Maart
1942 naar Bombaij gedirigeerd werden. Dat
was goed gezien, begin April sloeg de vijand
toe ,ze trof een legen haven aan ,maar in
open zee brachten de Jappen twee Britse
kruisers en een vliegdekschip tot zinken .
Wij waren allang en breed veilig in Bombaij.
Ook nu was het geluk met ons geweest.
April-September 1942.
Ons schip was toe aan een grondige reparatie
en onderhouds beurt , ook de luchtafweer
werd aanzienlijk verbeterd . De 12.7mm
gingen van boord , hier voor kwamen zes
oerlikons 20mm op de brugvleugels en
halfdek.Het schip ging in het dok en wij
werden in een tentenkamp onder gebracht.
Uiteraard geen 5 sterren hotel,dus
behelpen.Mijn scheepsvader Instructeur en
passagiersmaat Kpl.tlg.zm. E.Blom schreef op
een advertentie van een Engelse familie die
bereid was gastvrijheid te verlenen aan
opvarenden van Hrms “Soemba” Wij ontvingen
gunstig response en kregen de beschikking
over een ruime kamer met alle voorzieningen,
toilet, badkamer een ongekende luxe na alle
beperkingen aan boord van ons schip. We
werden in verschillende Engelse clubs
geintroduceerd, kwamen op de “tea” zogezegd.
We verkeerden zodoende in kringen waar je in
normale tijden geen toegang zou krijgen. Ook
hier vervaagden door de oorlog blijkbaar de
scheidslijnen.
Aan diverse sporten, zoals
voetballen,zwemmen.tennis werd de nodige
tijd besteed en we volgen nog zowaar ook
danslessen. Al met al een tijd van
ontspanning , die wij allen broodnodig
hadden ,na de hectische tijd in de Indische
wateren. De oorlog woedde in alle hevigheid
voort en een onzekere toekomst lag voor ons.
Alle geruchten ten spijt,vertrokken we begin
September 1942 uit de haven van Bombaij
,niet richting Middellandse Zee,maar de
Perzische Golf.
September 1942- Maart 1943.
We kregen opdracht de toegang tot de
Perzische Golf te bewaken en vijandelijke
onderzeeboten met onze asdic in de wandeling
“Kobus” genoemd ,op te sporen en te
vernietigen. Het was(is) bloedheet in de
Straat van Hormuz ,varen onder
oorlogsomstandigheden,verstoken van
airco,patrijspoorten gesloten,een
waterantsoen van 1 waskom per dag voor
wassen en scheren en geen ontspanning vergde
van iedereen het uiterste. Onze Schipper
Chef de Equipage , Huet, werd ziek van de
moordende hitte en stierf. Door het
vroegtijdig vastwerken 0900 in verband met
die hitte kwam er s’middags veel “vrije”
tijd beschikbaar waardoor de gelegenheid
bestond aan diverse brevetten te werken,
noodzakelijk voor de volgende bevordering.
Ondanks de oorlog moest je toch aan je
toekomst denken, hoe onzeker het ook was. De
oudere matrozen eerste klas gaven alle steun
en begeleiding en om de goede stemming er in
te houden werd zelfs een :rijstepikkers
club” opgericht . De naam zegt het al ,de
leden hiervan kregen rijst en toebehoren in
plaats van de Hollandse warme hap. Niet
verwonderlijk dat ik met vele anderen
(Hollandse jongens) tot deze club behoorde.
Tijdens deze Golfperiode haalde ik mijn
brevet seiner en werd matroos 2de klas,
moest voor bevordering o.a. 50 stuururen
halen. Nu werd ik ingedeeld bij de
seinersbrigade , bestaande uit matr.1
M.F.Rademaker,Matr1. A.H. Rudolf en matr 2
Soeseno. Chef seiner was Kwmr. A.P.Zeef .
Tot voor de landingsoperatie in Normandie
was mijn werkterrein het seindek , waar ik
veel ervaring heb opgedaan. Mijn verworven
kennis van het Nederlands seinstelsel en
seinboeken heb ik nooit in de praktijk
kunnen uitoefenen omdat we kort na mijn
seiners examen in geallieerd verband gingen
varen en moesten overstappen naar de
Engels/Amerikaanse seinprocedures. Maart
1943 kregen we een andere opdracht . We
verlieten de Perzische Golf met een groot
convooi en voeren om de West naar de Rode
Zee, door het Suez Kanaal en ankerden in de
haven van Alexandrie.
Naar het vervolg deel:
2 >>> |