|
Herinneringen van een Rode
Kruisman
Joop van Tuil - Almere, 19
maart 1995.
In 1942 was hij 18 jaar en
gedwongen door de zogenaamde "Arbeids - inzet"
om in Duitsland te gaan werken. Als lid van de
Transportcolonne Arnhem van het Nederlandsche Rode Kruis
werd hem de kans geboden zich hieraan te onttrekken door -
in feite als onderduiker - deel uit te maken van het
Chirurgisch Team Nederland - Oost van het N.R.K.. Daartoe
werd hij in het Elisabeth's Gasthuis in Arnhem opgeleid
als - wat men tegenwoordig noemt - operatiehelper.
Gedurende de oorlog werd dit team ingezet op plaatsen waar
door bombardementen veel slachtoffers vielen, zoals
Enschede Eindhoven, Nijmegen en meerdere plaatsen. Het was
dus een mobiel chirurgisch team o.l.v. Jhr.Dr.J.N. van der
Does en P.van Dijk, chirurgen.
EERSTE BEVRIJDING
Het verhaal rond
"Bevrijdingen" begint in feite op 17 september
1944. Vroeg in de ochtend van deze dag werd hij gewekt
door het loeien van de sirenes. Nu was het zo dat, bij
luchtalarm, hij zich onmiddellijk naar zijn post in de
stad moest begeven, die op 4 km van zijn huis gelegen
was. Hij trok zijn "uniform" aan: een groene
overall met Rode Kruis-armband; zijn witte helm voorzien
van Rode Kruis-tekens zowel van boven als voor- achter- en
zijkanten alsmede het "pantservest": rug- en
borstlappen met het Rode Kruis-teken.
Met zijn veldchirurgische
tas omgehangen begaf hij zich op de fiets naar het Nieuwe
Wees- huis aan het Roermondsplein (Arnhem). Onderweg
kletterden de scherven van het afweergeschut van de
Duitsers om hem heen. Kort nadat hij de post had bereikt
(het zal ca. 06.30 zijn geweest) moest zijn ploeg
uitrukken naar de wijk Klarendal waar een flink
bombardement had plaatsgevonden. Dit uitrukken vond plaats
met auto's die hetzij op gas of op houtskoolgeneratoren
reden en waarmee uitrusting en slachtoffers werden
vervoerd. Rond 10 uur was zijn ploeg daar klaar en ging
terug naar het weeshuis.
Ternauwernood daar
aangekomen kreeg de ploeg opdracht naar Wolfheze te gaan,
alwaar de psychiatrische inrichting en het blinden-
instituut gebombardeerd waren. Toen de slachtoffers
goed en wel waren afgevoerd vond de EERSTE BEVRIJDING
plaats, plotseling - onder motorgeronk van vliegtuigen-
vielen rondom de parachutisten van de 1e
Britse Airborndivisie om hen heen. Toen de vliegtuigen
verdwenen waren was het doodstil, behoudens de geluiden
van het hergroeperen van de parachutisten en de
begroetingskreten van de Rode Kruisploeg. Alras rookten
zij de eerste Players en Bond Streets. Maar het werk moest
doorgaan, dus met gezwinde spoed terug naar Arnhem, na een
aantal malen gestopt en dekking gezocht te hebben voor
mitraillerende geallieerde jachtvliegtuigen. De Rode
Kruistekens op de auto's werden gerespecteerd. Zij werden
niet beschoten.
Terug in het Nieuwe
Weeshuis, waar men nog niets wist van de luchtlandingen,
werd de "bevrijding" enthousiast ontvangen, niet
bevroedend wat hen nog te wachten stond. Voor alle
duidelijkheid, het weeshuis lag aan het Roermondsplein dat
grenst aan de Rijnkade, de weg die de Airbornes af moesten
leggen op weg naar de Rijnbrug, die nu de John Frostbrug
heet. De Airbornes bereikten tegen zonsondergang via
Onderlangs en Bovenover (Utrechtseweg) de Rijnkade en de
Rijnbrug zonder veel tegenstand, de Duitsers waren
compleet verrast. Dat betekende dat Oosterbeek
"bevrijd" was, de bevolking vierde feest,
ondanks een aantal slachtoffers, die door de Rode
Kruis-ploegen werden verzorgd en opgehaald.
's Avonds waren de Duitsers
hun verrassing te boven gekomen, een allegaartje van
diverse onderdelen bond de strijd aan met de Airbornes en
weldra vonden die avond en nacht straatgevechten plaats.
Ook rondom het weeshuis waarbij bijna het gehele
Roermondsplein in lichterlaaie kwam te staan; de bewoners
van het weeshuis bevonden zich in de kelder.
De ploeg waar hij deel van uitmaakte rukte uit in de
omgeving en verzamelde gewonden, zowel Britten, Duitsers
en Nederlandse burgers, en brachten die over naar het
weeshuis. Waarschijnlijk is dat de oorzaak geweest, mede
ook door de Rode Kruistekens en - vlag, dat het weeshuis
gespaard is gebleven.
TWEEDE BEVRIJDING
De volgende morgen, het was
18 september, een maandag, kreeg onze Rode Kruisman
opdracht om naar het Elisabeth's Gasthuis (E.G.) te gaan.
Hij deed dit via de Utrechtse weg (Bovenover), een van de
opmarsroutes van de Airbornes. Hier vonden hevige huis aan
huis gevechten plaats. Het is hem nog steeds een raadsel
hoe hij het E.G. levend heeft weten te bereiken. Rondom
het ziekenhuis en het Gemeentelijk Museum werd stevig
gevochten en het ziekenhuis was wisselend dan weer in
Britse en dan weer in Duitse handen. Er vielen veel
slachtoffers. Hij kreeg daarom opdracht om in deze
gevechtszone de gewonde soldaten hulp te verlenen, temeer
omdat van georganiseerde hulpverlening door de strijdende
troepen zelf geen sprake was. Bij deze hulpverlening werd
hij ter hoogte van het huidige Rijnhotel gevangen genomen
door 2 Nederlandse SS-ers, die hem verweten Duitse
stellingen aan de Britten te hebben verraden en gaven te
kennen hem ter plaatse te zullen fusilleren en hij werd
tegen een muur gezet.
Toen kwam de TWEEDE
BEVRIJDING. Een Duitse officier die dit had waargenomen,
gelaste de SS-ers hem vrij te laten, met de opmerking dat
hun leven misschien ook afhankelijk zou kunnen zijn van de
hulp van de deze Rode Kruisman. Donderdag 21 september
kreeg hij opdracht om zich naar Angeren achter Huissen te
begeven. Daar waren door artilleriebombardementen van
zowel Duitse als Britse zijde veel gewonden gevallen onder
de burgerbevolking. Er was geen enkele hulp en
mogelijkheid tot afvoer aanwezig. Het was een toer om er
te komen; hij heeft daar tot zaterdagmiddag gewerkt, toen
hij werd afgelost door een aantal mensen uit Huissen.
Op zondag 24 september, de
strijd om de brug was door de Airbornes verloren,
gelastten de Duitsers de evacuatie van de bevolking van
Arnhem en Oosterbeek. Een grote volksverhuizing kwam op
gang. Ook de ziekenhuizen moesten evacueren. Zo kreeg onze
Rode Kruis-man opdracht een transport zieken en gewonden
uit het Diaconessenhuis, dat plaats vond op zo'n 15 platte
sleperskarren, te begeleiden naar Otterlo, waar het
Kroller - Muller Museum zou worden ingericht als
noodziekenhuis. Op elke sleperskar, die voorzien was van
een Rode Kruis-vlag, werden zo'n 8 tot 10 gewonden met een
aantal verplegenden geplaatst.
Omdat men wist dat langs de
Amsterdamseweg en de Koningsweg nog steeds schermutse-
lingen plaats vonden, kreeg onze Rode Kruisman opdracht
zo'n 50 meter voor de colonne te lopen
"gewapend" met een Rode Kruisvlag. Er werd
inderdaad nog verspreid gevochten, maar het lukte
onbeschadigd erlangs te komen. Zowel de Duitsers als de
Britten reageerden op het roepen van "Nicht
schiessen" en "Don't fire" en het zien van
de door hem gedragen Rode Kruisvlag. Ze staakten het
vuren. Helaas, op de Otterloseweg, net nadat de colonne
het beschermende bladerdak verlaten had en even voorbij de
boerderij "Oud Reemst" op de open weg naast de
wildbaan van "De Hoge Veluwe", werd de colonne
beschoten door een paar Spitfires, geallieerde
jachtvliegtuigen. Dit had twee doden en acht gewonden tot
gevolg. De ontreddering was groot.
Hij was dan ook blij dat na
deze ruim 6 uur durende tocht het noodziekenhuis bereikt
werd. Hij was afwisselend werkzaam in het ziekenhuis en
voerde opdrachten uit voor transporten zoals het halen van
materiaal uit de Arnhemse ziekenhuizen. Toen kwam een
volgende niet ongevaarlijke opdracht. In het niemandsland
over de Rijn, tussen Wageningen en Zetten/ Andelst, vonden
regelmatig commando - acties plaats tussen Canadese /
Britse eenheden versus de Duitsers. Het gebied wisselde
dan ook steeds van bezetter. Er woonden bijna geen
burgers. De bevolking was weggetrokken, maar er vielen
gewonden, waarvoor geen verzorging aanwezig was. Vanaf
half november tot half maart, met korte onderbrekingen
voor rustpauzes in Otterlo, was hij in dit gebied
werkzaam, met veel waardering van beide strijdende
partijen, die hem alle hulp gaven in de vorm van voeding,
sigaretten, enz.
DERDE BEVRIJDING
Op 17 april 1945 naderden
Canadese tanks via de Hoenderlose weg Otterlo. Er waren
Duitsers in het dorp, dus van een glorieuze ontvangst
van de bevrijders was geen sprake, er werd een stevig
robbertje gevochten. In de Dorpsstraat en op de
Arnhemseweg werden een paar tanks middels Pantservuisten
door de Duitsers buiten gevecht gesteld, d.w.z. de tanks
vlogen in brand en het gros van de bemanning kwam om. In
de loop van de middag keerde de rust weer en nu werd het
tijd om de bevrijders te verwelkomen, de vlaggen gingen
uit en zonder de tonelen die zich in de grote steden
afspeelden, vonden bewoners en bevrijders elkaar. Onze
Rode Kruisman had nog geen tijd om zich met de Canadezen
te onderhouden: er waren gewonden die verzorgd en
afgevoerd moesten worden. Pas laat in de middag ontmoette hij Canadezen van een
bataljonsstaf die in de
school, vlak bij de kerk, hun hoofdkwartier gevestigd
hadden.
De tanks zijn dan allang
uit het dorp verdwenen op weg naar Ede. Zo maakte hij
kennis met Capt. H.L. Overholt uit Omemee, Staff-Sgt.
Stanley Ford uit Ontario, Major J.J. Donnelly uit Ottawa
en nog een aantal anderen, van wie de namen op een
hakenkruis-armband staan, afgenomen van een NSKK-man
(Nat.Soc.Kraftfahr Korps), die krijgsgevangen gemaakt was.
Deze armband is een van zijn dierbaarste souvenirs. Na een
gezellige avond met de nodige beers en malts dachten we te
gaan slapen. Maar wat een misrekening. Uit, wat de
Duitsers toen noemden het "Waldlager" in de
Harskamp, waren grote aantallen Duitse SS-ers, die de
Canadezen kennelijk over het hoofd hadden gezien, in het
dorp geïnfiltreerd en trachtten de in de school
ondergebrachte bataljonsstaf gevangen te nemen. Het gevolg
was dat er hevige gevechten uitbraken. Dit resulteerde er
in dat de Duitsers weer heer en meester werden in het met
Nederlandse vlaggen getooide dorp. Uiteraard vielen er
weer veel gewonden, zowel onder de militairen alswel onder
de burgers, dat gaf weer handen vol werk, afvoer naar het
nood- ziekenhuis werd door de Duitsers niet toegestaan,
zodat het Hotel "Jagerslust" ingericht werd als
noodverbandplaats.
VIERDE BEVRIJDING
In de vroege ochtend van de
18e keerden Canadese tanks, vergezeld van infanterieeenheden terug naar Otterlo om de Duitsers te verdrijven
en de bataljonsstaf te bevrijden. Dit ging met hevige
gevechten gepaard, er moest letterlijk om elk huis
gestreden worden en menig huis werd dan ook een prooi der
vlammen. Uiteindelijk kregen de Canadezen weer de
overhand, de Duitsers verzamelden zich in een bosrijk
terrein in de buurt van het dorpskerkhof, groeven zich in
om de Hoenderlose weg met hun vuur te bestrijken en het
dorp met hun mortieren te belagen. Daar maakten de
Canadezen abrupt een einde aan door hun vlammenwerpers in
te zetten, een afschuwelijk wapen, honderden SS-ers kwamen
in de vlammen om, overgave was niet mogelijk. Pas 's
avonds keerde de rust weer. Nu stond het hele dorp vol met
tanks, maar van enige feestvreugde was geen sprake. De tol
die betaald werd onder bevolking en bevrijders was
groot, zo sneuvelde o.a. Staff-Sgt. Stanley Ford. Laten we
door HIER zijn naam te noemen, alle BEVRIJDERS eren die
hun leven voor onze VRIJHEID gaven.
Rest nog te vermelden dat
onze Rode Kruis-man werd onderscheiden met de "PRO
MERITE" MEDAILLE van het NEDERLANDSCHE ROODE KRUIS.
Op zichzelf geen verdienste, hij meent niet meer dan zijn
plicht te hebben gedaan, zoals elk van ons zou doen,
wanneer we daartoe geroepen worden.
|