|
WIR FAHREN GEGEN ENGELAND
Bron: Brons -
Uitgave van de Vereniging Dragers Bronzen Leeuw en Bronzen
Kruis.
Verslag over het vertrek uit Nederland en de belevenissen onderweg
gedaan in november 1941.
Dit verhaal gaat over een ontsnappingstocht vanuit Nederland naar Engeland
die werd uitgevoerd met behulp van een runabout "Flying Dutchman"een
zes meter lange motorboot voorzien van een viercilinder 22 pk Evinrude-buitenboordmotor. De bemanning van de boot behoort tot vele landgenoten
die de oversteek waagden om vanuit bezet gebied zich gedurende de rest van
de Tweede Wereldoorlog in dienst te stellen van de geallieerde
strijdkrachten met alle risico's die daaraan verbonden waren. Immers het
kon vergaande consequenties hebben in hun persoonlijke levenssfeer.
Over hen die uitsluitend de oversteek waagden voor eigen gewin gaat of
gaan deze artikelen niet maar juist over hen die vele
ontberingen moesten getroosten om hun doel te bereiken om zo een steentje bij te dragen voor de
bevrijding van Nederland.
Velen hebben het
overleefd maar ook velen hebben daar duur zeer duur voor
betaald. Mede hierdoor heeft Nederland zich kunnen
ontworstelen aan de bezetting en langzaam maar zeker kon
groeien naar wat het 'NU' is.
In de herfst van 1941 hadden ze er schoon genoeg van, de Duitsers op straat
te zien wandelen, dat ze over ontvluchtigspogingen gingen peinzen.
Toon en Dirk Hagemeijer waren enthousiaste watersporters. Toon had een
betrekkelijk behoorlijke ervaring van zeilen op hoge zee. In die richting
gingen dus hun plannen. De middelen waren echter zo beperkt en hun
voorstellingen dermate primitief, dat het nauwelijks au sérieux kon worden
genomen. Broer Dirk met een mede collega-student hadden zodoende de
taak, naar mogelijkheden om te zien.
Ergens midden november 1941 werd krijgsraad gehouden in het dorp De
Lier bij Naaldwijk in het huis van de in het complot
betrokken schipper van de binnenvaart, wiens schuit ter plaatse in het
kanaal lag.
Dirk Hagemeijer bleek voor een klein
prijsje eigenaar geworden te zijn van de 'Flying
Dutchman'.
Ze hadden de motorboot grijs geschilderd en notabene van een
Duitse officier die wel wat extra geld kon gebruiken voor zijn pleziertjes,
150 liter benzine gekocht.
De samenzweerders waren, gezien het gunstige weer en de maanloze nacht
van plan, er maar direct van door te gaan. ...
Behalve de twee broers Antoon en Drik Hagemeijer, Nico
Köhler en de binnenschipper Pieter Smits zou er nog een leerling-stuurman de partij zijn.
Vele weken van spanning waren vooraf gegaan aan deze dag. De zaterdag
werd doorgebracht met besprekingen en berekeningen; hun technische
middelen waren zo simpel dat ze achteraf nauwelijks konden beseffen wat
ze gewaagd hadden. Met de benzinevoorraad en het motortje zouden ze in
ongeveer 15 uur de Noordzee over kunnen steken. Besloten werd het plan
maar direct uit te voeren.
Over een paar uur zouden zij het met zoveel zorg voorbereid plan uitvoeren.
Zij zaten in het ruim van de dekschuit waar ook de boot etc, waren geborgen
het was flink koud, en op het kanaal naar Vlaardingen lag al een flink laagje
ijs.
Velen waren hen al voorgegaan meestal via een van de vele oversteekplaatsen langs de kust, anderen deden dat via een soms lange zwerftocht
door Europa (maar daar later meer over), om zo Engeland te bereiken.
In de vroege zondagmorgen voeren ze van De Lier naar Vlaardingen om de
leerling-stuurman Klaas Buisman op te halen, en vandaar om de oosthoek
van het eiland Rozenburg naar de Brielsche Maas. Niet ver van Den Brielle
loodste de schipper zijn boot een stille kreek binnen.
Zij lagen reeds sinds enkele uren gemeerd in een kleine met riet begroeide
inham aan de Brielsche Maas, ongeveer 2-3 km boven Den Brielle. Het was
flink koud en het vroor, zodat ze in het kleine roefje van de
schuit om de kachel kropen en de jenever en sigaretten flink hadden aangesproken
toen de avond viel.
In de schemering zagen ze een Duitser de dijk opfietsen, enkele lichten
ontsteken en daarna weer wegrijden. Alles was doodsstil,
tot nog toe hadden ze niet te klagen.
Het eerste deel van hun plan was gelukt. Verborgen in de groenteschuit
waren zij met de motorboot de Duitse wacht op de sluis bij Vlaardingen
gepasseerd, alsook diverse Duitse posten en patrouille boten op de Nieuwe
Waterweg en de Brielsche Maas. Het wachten was nu op zonsondergang en
eb, waardoor het mogelijk zou zijn langs Den Brielle tot aan de riviermond
af te drijven, geluidloos, ongezien en eenmaal buiten op zee de motor aan en
op volle toeren naar Engeland, de vrijheid tegemoet, bezetting en de Duitse
onderdrukking achter zich latend.
Uit voorzorg hadden ze alle herkenningstekens uit hun kleding verwijderd.
Maar toen het donker was geworden en zij de motorboot uit het ruim wilden
gaan sjouwen, bleek er een dichte mist opgekomen te zijn, die een streep
door hun plannen haalde. Besloten werd op maandagmorgen terug te varen
naar Vlaardingen waar de boot zou wachten op beter weer.
Op dinsdag was het weer beter geworden, de volgende nachten zou het
donker blijven want de nieuwe maan was juist voorbij.
Op donderdag 29 november werd weer naar de kreek gevaren. De omstandigheden waren
perfect, reeds twee dagen was er een zeer strakke oosten wind, enigszins
vriezend weer en een lichte mist. Vooral dat laatste werd hartelijk verwelkomd, zij zouden immers van de oever af absoluut
onzichtbaar zijn.
Eindelijk was het zover. Rappe handen verwijderden de luiken, de boot werd
uit de groenteschuit getild en gleed bijna geruisloos te water. Vlug werden
motor, benzine blikken beperkte proviand en wat over was van de fles
jenever, een fles drinkwater enkele sneetjes droog brood het restant van de
sigaretten en plunjezakken aangereikt. Een laatste blik naar die trouwe
groenteschuit, naar het geliefde land, en met de boot aan de peddels schoten
zij de rivier op. De oever verdween in de mist en geruisloos dreven ze die
laatste 8-10 km naar buiten, naar de vrije zee. Links tegen de grauwe lucht
tekende zich Den Brielle af. Eensklaps een oorverdovend lawaai, bijna
kantelde hun ranke bootje. Zij waren op een ton gedreven, die de riviergeul
aangaf. Tegelijkertijd echter haalde de Brielsche veerpont haar anker op,
hetgeen zulk een lawaai maakte in de doodse stilte rondom, dat de klap
daarbij in het niet verdween. Weer stilte, behalve een paar gefluisterde
bevelen. Gerustgesteld peddelden zij voort. Door de mist waren beiden
oevers absoluut onzichtbaar en voor hen was het onmogelijk te bepalen -zeker in het duister -aan welke kant van de rivier
zij zaten, maar konden ook niet gezien worden.
Een geweldige schok, knarsend zand, weer kantelden zij bijna om, dit
incident gaf echter weinig tijd tot nadenken. Razend snel sprong Toon
Hagemeijer over boord, en bracht de boot inclusief de opvarende van de
zandbank af. En vervolgens dreven zij geluidloos, in doodse stilte door de
duisternis. De minuten schenen uren, de tijd eindeloos, totdat zij plotseling
met een schok stillagen. Weer een zandbank, maar nu bleek het probleem
niet zo makkelijk oplosbaar te zijn. Zij zaten vast in de mond van de
Brielsche Maas, door het lage water waren alle zandbanken droog komen te
liggen. Besloten werd dat alle vijf te water zouden gaan, Vlug de kleren uit
om deze droog te houden en met rillende lichamen werd een uur lang
geploeterd en gezwoegd om het bootje over zandbanken door ondiep water
naar zee te brengen. Nu eens tot aan de enkels,dan weer tot de borst in het
ijskoude water, maar zij voelden geen kou, de zenuwen waren teveel
gespannen.
En steeds ondanks de mist werden zij gedurende dit uur, van kou en angst,
heel even in het licht gezet door het draailicht van Hoek van Holland, waar
zij dankbaar gebruik van maakte om koers te houden. Als navigatie bezaten
zij immers slechts een klein kompas.
Eindelijk bereikte zij de open zee, allen snel in de boot het startkoord met
zorg om de trommel geslagen, een flinke ruk, er gebeurde niets. Nog eens en
nog eens geprobeerd, maar steeds zonder resultaat en dat terwijl de Duitse
wachten slechts honderden meters verwijderd op het strand stonden
opgesteld.
In het pikkedonker werd de motor gedemonteerd, carburator nagezien en
toen bleek het dat de vlotter tijdens het transport scheef
was komen te zitten. Vlug weer alle schroeven en onderdelen op hun plaats. Het startkoord
opnieuw om de trommel geslagen. Een ruk. Een donderend lawaai na al die
uren van stilte, een luid hoera, en weg waren zij.
Eindelijk die doodse stilte voorbij, nu mochten die grauwe grijze wachten
hen horen, met volle vaart verdwenen zij in de donkere nacht, Met behulp
van het kompas werd de slordige koers west-zuidwest gestuurd en ronkten
zij door de duisternis.
Na een minuut tekende zich aan stuurboord-voor een schip af tegen de
grauwe lucht. Snel werd van koers veranderd en met volle vaart geprobeerd
de plaats van onheil te verlaten. Het was echter te laat, zij waren schijnbaar
al gehoord. Een sterk zoeklicht werd aangestoken en kwam langzaam,
tergend langzaam hun richting uit. Het passeerde en keerde weer terug.
Door koers verandering probeerde de stuurman de lichtbundel,
waarin zij zaten gevangen te ontlopen, echter zonder succes. Eindelijk zaten
zij midden in die lichtstralen gevangen. Het zoeklicht, gleed twee maal over
hen heen en keerde toen terug om stil te staan op hun dansende grijze bootje
waarin zij bezig waren het Europees vasteland te verlaten. Ieder ogenblik
verwachtte men het geratel van een machinegeweer te horen. Nooit zullen
zij de angst vergeten, die op de gezichten te lezen was.
Zou alles toch tevergeefs zijn.
De motor draaide nu op volle toeren, en als een woedende
wilde stier, sprong en bonkte het bootje over de lichte deining. Opgeven,
nee nu nog niet, nooit.
Hoe lang zij in die lichtbundel zaten wisten ze niet, misschien 10 misschien
15 seconden, het scheen echter een eeuwigheid. Nog even werd koers
verlegd naar het zuiden en daarna met een wijde boog weer naar het
westen. De zee was prachtig, de zware buitenboord motor zong een prachtig lied,
met grote spoed werd vaart gezet naar de vrijheid.
Maar er was nog een vijand te overwinnen. De zee en de natuurkrachten.
Een forse wind stak op, werd sterker, veranderde in een zuidwester storm.
Na drie uur varen moesten ze gedwongen opgeven. Het werd levensgevaarlijk in deze woelige, onzichtbare zee. De schipper besloot het
drijfanker uit te gooien, een dekzeiltje werd over de boot getrokken om
zoveel mogelijk water buiten te houden.
Zij zaten dicht bij elkaar verkleumd, zeeziek, angst, koude en narigheid
maar vol goede moed omdat het avontuur tot nog toe, vanaf
het riskante begin gelukt was.
Eeuwen duurde het voordat de dageraad aanbrak en ze de ziedende zee
konden zien met haar schuimslierten, haar diepe afgronden en hoge kromme
golven. Wachten, wachten steeds maar wachten, totdat zij besloten hun
eigen lot in handen te nemen.
De motor werd aangeslagen en langzaam, voorzichtig langzaam zetten zij
koers naar het Westen. Urenlang over de kokende zee, onder de grauwe
luchten. In plaats van 20-30 km per uur, was hun snelheid nu misschien 2-5
km per uur .
Het werd donker, er brak een tweede angstige nacht aan. Honger en dorst
begonnen nu ook merkbaar te worden. Zij hadden gerekend op een zeer
snelle overtocht en daardoor nauwelijks proviand meegenomen. Een nieuwe
dageraad brak aan maar nog steeds geen land, slechts niets dan golven,
afgronden, slierten schuim, een enkele meeuwen grauwe luchten.
Deze dag zou de ergste worden.
Het eerste uur liep de motor nog steeds behoorlijk, toen echter sloeg zij
vaker en vaker af en nadat, terwijl de benzine werd bijgevuld, ook zeewater
in de benzine tank naar binnen was geslagen was het afgelopen. ...
Uren lang probeerden zij om de laatste druppels zeewater uit de
benzineleiding, tank en carburator weg te spoelen. Bougies werden
verwisseld, maar alles was te vergeefs. De motor wilde niet meer aanslaan.
Hun doel was zo dicht bij.
Steeds weer kwamen er Engelse patrouille-vliegboten opdagen vanuit het
westen, om enige tijd later in het noorden over de horizon weer te
verdwijnen. En elke poging om hun aandacht te trekken bleef onopgemerkt.
In de namiddag probeerden zij peddelend nog enige kilometers af te leggen.
Maar de boot was niet gebouwd om op die manier voortbewogen te worden.
Hun krachten waren door twee dagen van spanning, zonder eten en drinken
erg verzwakt.
En weer een bange lange nacht volgde. Gedurende die nacht maakte ze hun
eerste Duitsche bombardement op Engeland mee, hoorden ze voor het eerst
Engels afweervuur, zagen de eerste Engelse zoeklichten langs de donkere
hemel bewegen. Zij moesten vlak bij de kust zijn.
Besloten werd van poetskatoen, een peddel en benzine een toorts te maken om de aandacht te
trekken. Een lucifer werd aangestoken een fel vuur laaide op in de donkere
nacht. Echter zonder resultaat. Opeens zagen zij bakboord een dansend
lichtje.
Een boot, een lichtboei? De peddels werden gegrepen om zo te trachten dat
licht te bereiken, echter zonder resultaat. Steeds bleef het even ver weg,
steeds op en neer dansend.
Omstreeks 5 uur in de morgen besloten zij het nogmaals te proberen met een
brandende fakkel van poetskatoen en benzine. Weer laaide de vlammen op. Grillig werden de dansende golven verlicht.
Nadat ook deze fakkel was uitgebrand hoorde men opeens het gedreun van
machtige motoren, en zagen zij een schim langs de horizon voortbewegen
om verder op te verdwijnen. Tevergeefs?
Nee deze maal niet, daar recht vooruit kwam die schim weer over de horizon
opdagen, steeds groter werd zij, een zoeklicht werd ontstoken en plotseling
zaten zij weer midden in die lichtbundel. Ditmaal echter vrienden. De
machines stopten, zij grepen naar de peddels en enige minuten later dansten
hun bootje op en neer langs hun redder in nood. Een touw werd
toegeworpen,de touwladder viel naar beneden, een Engelse stem. Vlug
grepen hun handen naar de ladder en rap bewogen zich 5 vermoeide, doch
tevreden, gelukkige Nederlanders naar het dek. Er was geen tijd om de boot
naar boven te halen, deze moest op zee achtergelaten worden. En in al deze
drukke zenuwachtige spanning vergaten zij hun persoonlijke eigendommen
mee naar het dek te nemen.
Eindelijk stonden de vijf rillend en nat aan dek,
en werden snel naar binnengeloodst. Daar trokken zij hun koude natte kleren
uit, kregen warme wollen dekens om hun koude lichamen in te wikkelen,
echte Engelse sigaretten en een heerlijke kop rum. Een
geweldige ontvangst.
Vragen en antwoorden heen en weer. Zij waren op H.M.S. Destroyer
Hambledon.
Een blik op de klok het was 05.30 uur zondagmorgen 23 november. Bijna
drie volle dagen had het geduurd sinds zij door de sluis van Vlaardingen de
vrijheid tegemoet waren gevaren.
Een geweldig ontbijt, een warm bad, geschoren en voldaan zakten ze weg in
de makkelijke stoelen, meer vragen en antwoorden, namen zetten in het
gastenboek, waarin later ook de naam van Eisenhower zou komen te staan.
Zondagavond werden zij in Sheerness aan de wal gezet, onderzocht door een
dokter, en per auto naar Londen gebracht. Onderweg werd gestopt in
Gratham waar eens de Nederlandse zeehelden de Theems op waren
gevaren.
's Avonds laat arriveerden zij in de Royal Victorian Patriotic School, hier
ondergingen zij vijf dagen een kruisverhoor, inlichtingen, schetsen en
eindelijk absolute vrijheid.
Vrijdagmiddag 28 november bracht een taxi hen naar de Nederlandse
geheimedienst waar ze met open armen ontvangen werden. Snel werd voor
een confortabel hotel gezorgd, een goed diner, een warm bed, vrij te gaan
waar wij wilden.
Zaterdag deelde kapitein Derksema hun mede dat zij de volgende dag op
audientie bij H.M. de Koningin zouden gaan, hen werd verzocht voorlopig
nog niets over hun ontsnapping aan anderen te vertellen en toen
zondagochtend naar Maidenhead, naar het buitenhuis van H.M. De
Koningin.
Wat een ontvangst, onvergetelijk, zo eenvoudig, zonder vertoon.
Iedereen was meteen op zijn gemak en voelde zich thuis. H.M. was zeer
geïnteresseerd in hun belevenissen van laatste dagen. Na dit bezoek dat
enige uren duurden, werden zij per auto naar Londen teruggebracht. De
eerste minuten doodse stilte. ledereen moest de indrukken in stilte
verwerken.
Piet Smits de onvergetelijke echte Nederlandse
binnenschipper van De Lier was absoluut met stomheid geslagen. En toen hij weer sprak waren zijn
eerste woorden " net of je bij je tante op bezoek was".
Dit artikel is tot stand gekomen in overleg met Antoon Hagemeijer .
In de winter van zijn leven schreef Atoon Hagemeijer een brief aan Klaas
Buisman voor zijn verjaardag op 15-01-01. Waarin hij de herinnering aan de
belevenissen in de lente van hun bestaan beschrijft. ...
En aangeeft dat ze eigenlijk kort langs de afgrond zijn gegaan met hun
ontsnappingspoging.
Vooral de laatste jaren heb ik mij, zo schrijft hij aan Klaas, gerealiseerd
hoeveel geluk we destijds gehad hebben, vooral sinds het boek "DE
VRIJHEID ACHTER DE HORIZON " is uitgekomen, waarin bij de meeste
verhalen staat aangetekend 'Niet aangekomen' .
Verder heeft hij nogal wat contact gehad met de schrijver en is hij
bij de presentatie van het boek op het Vliegveld Valkenburg aanwezig geweest.
Daar hoopte hij Klaas Buisman te ontmoeten wat helaas niet is
gebeurd.
Van het groepje van 5 man zijn voor zover hij weet, is hij (Toon) en ons
Verenigings lid Klaas Buisman nog in leven.
Wie waren die 5 man.
Toon Hagemeijer werkte tot begin september 1944 in het Nederlands
Hospitaal, waarna hij bij de Prinses Irene Brigade een arts verving. Ook
maakte hij het einde van de oorlog mee.
Nico Köhler trad ook toe tot de Prinses Irene Brigade en bleef daar tot de
bevrijding.
Dirk Hagemeijer kwam eerst bij de Prinses Irene Brigade terecht en ging
toen bij de RAF in opleiding. Aan het einde van de oorlog had hij 53
vluchten gemaakt als navigator bommenwerper.
Klaas Buisman ging bij de koopvaardij, net als Pieter
Smits. Zij overleefden met de 10 koppige bemanning op 11 juni 1942 een aanval op
hun schip, de M. V. 'Braband". Smits liep daarbij ernstig oogletsel op.
|