|
Portret Hans de Leeuw, 81
jaar. 1940-1945 Prinses
Irene Brigade
door Suzanne Stam - Bron Trivizier mei 2001
 
Hans de Leeuw, toen en nu
"Twee jaar voor de
oorlog uitbrak was ik in België werkzaam. Na de Duitse invasie belandde
ik na een moeizame vlucht in Engeland, waar ik me prompt aanmeldde voor
militaire dienst via de Nederlandse Ambassade in Londen. Ik wilde mee
helpen om mijn vaderland te bevrij- den. In Augustus 1940 werd ik
opgeroepen en ingedeeld bij de overgebleven Nederlandse
landstrijdkrachten, die aangevuld werden door nieuwe recruten uit
verschillende werelddelen en Engeland vaarders. Het jaar daarop, werd
dit leger omgedoopt tot Koninklijke Nederlandse
Brigade 'Prinses Irene'. In 1941 huwde ik met een Engelse en kregen wij
een zoontje.
Het begin soldij, meen
ik, was slechts een tweetal shillings per dag, waarmee men zeker geen
bokkensprongen kon maken. Wat onze normale levensbehoeften aanging viel
niet te klagen: we hadden immers goed onderdak, kleding en de voeding
was beter dan die voor doorsnee burgers.
De Brigade bestond uit
enkele 'gevechtsgroepen', ik hoorde bij de 2e. De bewapening van de
Brigade bestond uit geweren, mitrailleurs, mortieren, licht luchtafweer
geschut, veld-artillerie en anti-pantser geschut,
motortransportafdeling, politie troepen, e.d. Tot ver in 1944 werden wij
grondig getraind en op den duur werd ik ingelijfd als korporaal en
afstandsmeter bij een peloton 3 inch mortieren. Al hoewel er
een kampement in de Midlands was opgericht, verbleef de Brigade toch in
de loop der jaren op verschillende standplaatsen, zodat we begin 1944
aan de oostkust belandden, waar generaal (later veldmaarschalk)
Montgomery ons een peptalk kwam geven over de ophanden zijnde enorme
geallieerde invasie 'Overlord' in Europa. Uiteindelijk zette mijn
eenheid vaste voet op Franse bodem in Normandië op 7 Augustus 1944. Aan
de kust was het al betrekkelijk rustig en kregen we stellingen over te
nemen van Canadese parachutisten, waar onze eerste slachtoffers
vielen.
Niet lange tijd erna
begon
de grote doorbraak der geallieerden
door Duitse verdedigingen en trokken wij eveneens noordwaarts.
Met groot enthousiasme werden we overal begroet, bijzonder éénmaal in
België; er was gejuich, omhelzingen en bloemen gedurende die
bliksemsnelle doortocht.
Totdat wij bij de stad
Diest belandden, waar ons konvooi onder vuur kwam van Duitse tanks.
Enkele van onze makkers sneuvelden en er was verlies van wat materiaal,
totdat de vijand overrompeld was. Kort daarna werd ik gedetacheerd bij
gepantserde eenheden van het Engelse leger vanwege bekendheid met het
terrein en talenkennis. In het grensgebied met Nederland had het
tankregiment, waarbij ik ingedeeld was, een vuurgevecht en liep ik een
lichte verwonding op, die ik echter verwaarloosde.
Na enkele tijd volgde
een ontsteking in mijn linkerhand en prompt operatief ingrijpen bleek
noodzakelijk om mijn arm niet te verliezen. Uit de narcose ontwakend in
een open veld zag ik toen ik omhoog keek een eindeloze stroom van
vliegtuigen. Zodoende was ik getuige van het begin van Montgomery's -tot
mislukking gedoemde- operatie 'Market Garden', de aanzet tot de 'slag om
Arnhem'.
Ik werd
teruggevlogen naar een ziekenhuis in Engeland, waar mijn vrouw me
bezocht. Groot was haar opluchting, dat ik niet ernstig gewond was en
dat, zoals ze me later bekende, mijn 'klokkenspel'
nog in tact was! Eind december kon ik Engeland weer verlaten en na enig
zoeken vond ik mijn eenheid weer terug op Walcheren. We werden opnieuw
ingezet om een bruggehoofd over de Maas vlak bij Den Bosch te maken;
velen onder ons lieten ook hier het leven. Plots kwam de order tot
terugtrekking want de Duitsers waren elders tot overgave gedwongen. We
trokken als eerste troepen Den Haag binnen en spoedig daarna mocht ik de
militaire dienst verlaten. Ik haalde mijn jonge gezin in Engeland op en
tezamen gingen we naar België, waar ik mijn vroegere beroep kon
hervatten. In 1953 emigreerden wij uiteindelijk naar Canada waar ik nu
nog woon."
Bron: Trivizier
|